‘Laocoön’, over de grenzen van de schilderkunst en de poëzie

tumblr_inline_pdnv90rskk1s0xvfa_540

De Duitse toneelschrijver en criticus Gotthold Ephraïm Lessing (1729-1781) geldt als één van de origineelste denkers uit de Verlichting, en is een sleutelfiguur in de geschiedenis van het theater. Met zijn beruchte essay Laocoön (1766) is hij de eerste die een onderscheid maakt  tussen literatuur en beeldende kunst, en lijnrecht ingaat tegen het tot dan toe gangbare principe van Horatius, dat dichten en schilderen op gelijke voet plaatst. Lessing ging een hevige polemiek aan met zijn tijdgenoot en hevig verdediger van Horatius’ stelling, Johann Winckelmann, vader van de Duitse kunstgeschiedenis. Lessings theorie is even eenvoudig als geniaal: beeldende kunst speelt zich af in ruimte, literatuur in tijd. Om dit te ondersteunen vertrekt hij van de beroemde beeldengroep in de Musei Vaticani, die de dood van de Trojaanse priester Laocoön verbeeldt. De Historische Uitgeverij brengt nu een uitstekende Nederlandse vertaling, in een mooie en van uitgebreide aantekeningen voorziene uitgave. We spraken met vertaler Wessel Krul, Hoogleraar Moderne Kunst- en Cultuurgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen.

In welke zin moeten we de Laocoön lezen als één lange weerlegging van Horatius’ principe ut pictura poësis (’dichten is als schilderen’)?

Bij Lessing gaat het niet zozeer om een verzet tegen Horatius zelf, maar wel tegen de wijze waarop diens principe zich met name in de Franse classicistische kunsttheorie in de 17de en 18de eeuw heeft ontwikkeld. Daar werd deze stelling niet zozeer gezien als een voorschrift voor dichters die ook beeldend dienen te zijn — want dat is wat Horatius wil zeggen —, maar wel als een gelijkstelling van dicht- en schilderkunst. Er is geen duidelijk onderscheid tussen beide kunstvormen: ze roepen dezelfde gevoelens op, kiezen dezelfde onderwerpen en hanteren gelijke middelen. Volgens Lessing leidt dat tot een groot misverstand, omdat je dan een dichtkunst krijgt die alleen maar wil schilderen, en een schilderkunst die allerlei dingen wil gaan doen die voorbehouden zijn aan de dichtkunst, of die de dichtkunst in ieder geval veel beter kan.

De Laocoön is wel eens beschreven als een stuk in vijf bedrijven waarin verschillende personages worden opgevoerd. Het boek begint en eindigt met de grondlegger van de kunstkritiek Johann Winckelmann, die stelde dat de oude Grieken de emoties in hun kunstwerken altijd beheerst en stijlvol weergaven, en verwijst in verband hiermee naar de ingehouden zucht van de beroemde Laocoön-beeldengroep. Wat is voor Lessing het belang van die zucht?

In die periode is Winckelmann de invloedrijkste en belangrijkste figuur op het domein van theorievorming over de beeldende kunsten en men ziet hem als de vader van het neoclassicisme, de nieuwe oriëntatie op de klassieke oudheid, in het bijzonder op de Grieken. Hij geldt ook als de vader van de kunstgeschiedenis als wetenschap. Tijdens het lezen van Winckelmann valt het Lessing op hoezeer die de nadruk legt op het visuele. Lessing wil als theaterman van zijn kant controleren of Winckelmanns theorie toepasbaar is op het theater van de Oudheid. Lessing wilde aanvankelijk een boek schrijven over het klassieke theater, en één over Sophocles en de opvoering van diens toneelwerken. Winckelmann schrijft de beruchte “ingehouden zucht” van de Laocoön-beeldengroep toe aan het nobele karakter van de Grieken. Met de nodige ironie merkt Lessing in zijn repliek op dat als die Grieken zo’n nobel karakter hadden, dat in alle kunsten zou terug te vinden zijn, ook in het theater. En hij geeft als voorbeeld een stuk als Sophocles’ Philoctetes, dat helemaal geen ingehouden zucht kent maar juist een heel luide schreeuw. Hij maakt eveneens de vergelijking met Laocoöns schreeuw bij Vergilius, wat Winckelmann dan weer weerlegt door te zeggen dat Vergilius een Romein was!

Door de jaren heen werd Lessings uiteenzetting vaak gelezen als een bewijs van de superioriteit van de literatuur. De impliciete boodschap van de Laocoön zou zijn dat de toneelkunst de hoogste kunstvorm is.

Daar valt veel over te zeggen. Voor Lessing heeft de taal meer suggestieve mogelijkheden dan het visuele, dat afgebakend en afgerond is. Wat we op een schilderij of een beeldhouwwerk zien, zien we onmiddellijk. We nemen direct in ons op wat het object te zeggen heeft. Dat is met literatuur niet zo. Die ontvouwt zich in de tijd. Het vergt een langere periode voordat we het geheel hebben begrepen en kunnen overzien. Een roman begrijpen we pas wanneer we die hebben uitgelezen. De taal kan precies door zijn onbestemdheid vaak meer gedachten oproepen dan het visuele, dat bijna altijd bestemd is. Lessing gaat in verband hiermee in op ‘het lelijke’ aan het einde van zijn boek. Iets lelijks in een schilderij kan nooit iets aantrekkelijks opleveren, terwijl de suggestie van het lelijke in een tekst alleen door ons eigen voorstellingsvermogen wel functioneel kan zijn, stelt hij. Dat is de reden waarom men hem vaak als verdediger van de literatuur heeft gezien. Lessing sluit in dat opzicht heel nauw aan bij het werk van Edmund Burke, die in zijn laatste hoofdstuk ingaat op de superioriteit van de literatuur, of liever het grotere vermogen tot suggestie, de grotere expressiviteit van de literatuur.

image

In het verlengde hiervan wordt Lessing vaak beschouwd als een voorloper van de moderne semiotiek. Lessing heeft het vaak over het verschil tussen natuurlijke en willekeurige tekens…

Het verschil tussen beeldende kunst en dichtkunst zit erin dat beeldende kunst gebruik maakt van wat Lessing natuurlijke tekens noemt, tekens die verwijzen naar dingen die werkelijk bestaan. Lessing vertrekt dus van het mimetische karakter van de beeldende kunst, een kunst die iets voorstelt, iets laat zien wat in de werkelijkheid ook zo bestaat of kan bestaan. Er is een correspondentie tussen wat we zien en datgene waarnaar verwezen wordt. In de taal is dat niet het geval omdat een woord een willekeurige klank is. Dezelfde dingen worden in alle talen voorgesteld door andere woorden. Hier gaat het dus over willekeurige tekens. De mooiste kunst is volgens Lessing die waar de natuurlijke en willekeurige tekens het dichtst bij elkaar komen. En dat is voor hem de toneelkunst omdat daar het voordeel van het visuele en het literaire samenvallen. Theater is een handeling die verloopt in de tijd en gebruik maakt van woorden, maar tegelijkertijd ook zichtbaar is en daardoor een natuurlijk karakter krijgt. We moeten er steeds van uitgaan dat Lessing spreekt vanuit een tijd waarin zoiets als abstracte kunst nog niet denkbaar was. Het aardige van zijn theorie is dat hij die mogelijkheid wel al openlaat. Zo speculeert hij in bepaalde passages van zijn boek over een schilderkunst die enkel en alleen maar zuivere schilderkunst is, een schilderkunst die niet meer referentieel is. Iets wat in de latere kunsttheorie natuurlijk graag is overgenomen.

U sluit het boek af met een brief van Lessing aan zijn vriend en uitgever Nicolai. Wat is het belang van deze brief?

Lessing heeft vaak aangekondigd dat er een tweede en zelfs een derde deel zou verschijnen. In zijn nalatenschap zijn er grote hoeveelheden aantekeningen gevonden, die als vervolg op de Laocoön bedoeld waren. Er bestaan wetenschappelijke edities van deze aantekeningen, maar we moeten ze wel degelijk beschouwen als losse notities, die op zich weinig samenhang hebben en elkaar soms zelfs tegenspreken. Ze geven hoe dan ook weinig indicatie welke kant Lessings gedachten opgingen. Het boek zoals het verscheen in 1766 heeft behalve enkele pedante en schoolse opmerkingen bij het werk van Winckelmann niet echt een slot, en daarom leek deze brief me ideaal om het boek af te sluiten.

Is de theorie van Lessing nog actueel? Blijft zij toepasbaar op de hedendaagse kunst?

Wij mogen niet vergeten dat Lessing een beeldende kunst in gedachten heeft die niet de onze is. Zijn kunst is een kunst die geheel en al in representatie en mimesis is geworteld. Dat is niet iets wat de hedendaagse kunst nog nastreeft. Wat onmiddellijk treft bij het lezen van de Laocoön is de grote evidentie van de gedachte dat literatuur zich afspeelt in tijd, en beeldende kunst in ruimte.  Hoe is het mogelijk dat niemand daar eerder opgekomen is, vraag je je dan af. Interessant is dat in de generaties direct na Lessing kunstenaars al geprobeerd hebben deze gedachte opnieuw te ondermijnen door beeldende kunst en literatuur nader tot elkaar te brengen. Wat je ziet in de loop van de kunstgeschiedenis en de geschiedenis van de letteren is dat er telkens weer een nieuwe toenadering is tussen beeldende kunst en literatuur en dan weer een moment waarop ze proberen zich van elkaar te onderscheiden. Ik denk dat deze pendelbeweging, dat cyclisch proces zich nog steeds afspeelt, en dat in die zin Lessings theorie zeer relevant is voor de hedendaagse kunst. Deze theorie is het uitgangspunt van een langdurig debat over de verhouding tussen beeldende kunst en literatuur en is een onmisbaar boek voor iedereen die inzicht wil krijgen in de kunstgeschiedenis.

Was Lessings taal moeilijk vertaalbaar?

Lessing is een schrijver die we rekenen tot de stroming van de Sturm und Drang, de episode die net vooraf gaat aan het classicisme van Schiller en Goethe. De auteurs van de Sturm und Drang streefden naar een grote levendigheid, door bijvoorbeeld het gebruik van spreektaal. Als vertaler had ik hoe dan ook sneller greep op deze tekst dan bijvoorbeeld op die van Burke (eveneens vertaald voor de Historische Uitgeverij door Wessel Krul, LDM). Die staat nog helemaal in het classicistische proza, met een geweldig complexe zinsbouw. Dan moet je als vertaler die zinnen uit elkaar trekken en soms één lange zin opsplitsen in drie kortere. Bij Lessing was een dergelijke herschrijving veel minder nodig. Ik heb weinig moeten ingrijpen in de zinsbouw en in die zin is deze tekst echt moderner. Kortom, de vertaling van dit boek was een plezierige opdracht.


Verschenen in: STAALKAART #5, 2010

Laocoön, over de grenzen van schilderkunst en poëzie van Gotthold Ephraim Lessing, Historische Uitgeverij, Groningen 2009, vert., ingeleid en van aantekeningen voorzien door Wessel Krul, ISBN 9789065544346, 257 pp.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s