De briefwisseling tussen Ingeborg Bachmann en Paul Celan: een dramatische liefde

tumblr_inline_pdo01wf0oh1s0xvfa_540

Ze determineerden elk op hun manier de dichtkunst van het naoorlogse Duitsland en stortten zich vol overgave in een moeizame liefde, gedoemd om te mislukken. Ze leerden elkaar kennen in het door de geallieerden bezette Wenen, maar hadden een volstrekt verschillende levensloop. Zij was een studente filosofie en dochter van een lid van de nazipartij NSDAP; hij een stateloze, Joods-Roemeense dichter uit Czernowitz, wiens beide ouders gedeporteerd werden en die zelf een werkkamp had overleefd. Ingeborg Bachmann en Paul Celan, de twee tenoren van de Duitse literatuur, begonnen in 1948 een “exemplarische” liefdesrelatie waaruit tussen 1948 en 1967 een intense briefwisseling ontstond. Meulenhoff stelt deze brieven voor het eerst ter beschikking in een uitmuntende Nederlandse vertaling van Paul Beers.

Brieven als waarheid

Wat meteen opvalt is dat de briefwisseling tussen beide dichters grote hiaten vertoont. In sommige periodes is er een overvloed aan brieven, tijdens andere periodes wordt een obstinaat stilzwijgen aangehouden. Het woelige leven van beide schrijvers is daar natuurlijk niet vreemd aan. In deze verzorgde uitgave zijn niet alleen brieven onverkort opgenomen, maar ook telegrammen, postkaarten, opdrachten in boeken en korte notities. Maar de allerbelangrijkste bijdrage van deze editie is het grote aantal niet verstuurde brieven, die hier als getuigen van een mislukte communicatie gewoon tussen de andere brieven staan die wél op de bus gingen. Het zijn schetsen, kladversies, vaak nog niet helemaal ontdaan van de scherpe kantjes, die meer uitvoerige brieven aankondigen of juist vragen om het zwijgen te doorbreken, en waarvan de lezer meer dan eens de indruk krijgt dat ‘de waarheid’ er ongekuist in verwoord wordt. Wat niet geschreven kan worden, staat hier te lezen, zwart op wit. En dat is meer dan eens zeer leerrijk of onthullend.

Grosso modo zijn er 6 periodes in de correspondentie te onderscheiden, telkens verbonden met biografische keerpunten. De epistolaire relatie neemt een vliegende start wanneer op 24 juni 1948 Celan zijn eerste brief aan de 6 jaar jongere Bachmann schrijft. Hij voegt er het cryptische liefdesgedicht ‘In Egypte’ bij, dat hij bovendien aan haar opdraagt. Hij is dan 27 jaar en heeft al enige roem verworven met een eerste dichtbundel, Der Sand aus den Urnen. Beide dichters hadden elkaar een maand ervoor in Wenen leren kennen, en als we Bachmann in een brief aan haar ouders  mogen geloven, was het  liefde op het eerste gezicht: ‘De surrealistische dichter Paul Celan, die ik twee avonden geleden bij de schilder Jené nog met Weigel leerde kennen en die heel fascinerend is, is stapelverliefd op me geworden. Mijn kamer is op dit moment een papaverveld, want hij heeft er plezier in me met deze bloemen te overladen.’ Kort hierna beginnen Bachmann en Celan halsoverkop een relatie die slechts een paar weken stand zou houden, maar wel bepalend zou zijn voor hun verdere leven. Vanaf dan zien we beiden trouwens opduiken in elkaars werk, met als meest flagrante voorbeeld Bachmanns sleutelroman Malina. In juni 1948 verhuist Celan naar Parijs waar hij in 1952 trouwt met de bemiddelde Gisèle de Lestrange.

Vanaf begin 1949 volgt een losse reeks brieven, die vooral een mijmerend karakter hebben en nostalgische herinneringen oproepen aan de gloed van hun eerste ontmoeting.  Iedere poging tot herstellen van wat was, lijkt te mislukken. Hun gezamenlijke vrienden Nani en Klaus Demus worden tevergeefs meerdere keren ingeschakeld als bemiddelaars en zelfs de Parijse bezoeken van Bachmann eind 1950 en begin 1951 leveren weinig op. De correspondentie van deze periode draait vooral rond Celan, in de eerste plaats door zijn werk, waarvoor Bachmann het opneemt in de mate van haar mogelijkheden, pogingen waarover ze hem regelmatig en uitvoerig bericht. Door de vele vruchteloze initiatieven tot  toenadering, haalt Bachmann hier emotioneel de overhand.

Na een korte ontmoeting in Niendorf eind mei 1952 volgt een lange, ‘magere’ periode in de correspondentie, slechts 11 documenten in 5 jaar, met 1 opdrachtexemplaar als Celans bijdrage. Deze periode is belangrijk omdat Bachmann hier voor het eerst met eigen dichtwerk naar voren treedt. Zo stuurt ze 4 gedichten mee in een brief voor een Oostenrijkse bloemlezing die Celan zou gaan samenstellen. Celan verwaardigt zich niet te antwoorden, maar neemt wel een van de gedichten veelzeggend op in zijn uiteindelijke keuze. Dit is ook de periode waarin Celan voor het eerst geconfronteerd wordt met  plagiaatbeschuldigingen (zie verder).

Een kort weerzien op een symposium over literatuurkritiek in Wuppertal eind 1957 verandert het karakter van de briefwisseling. Celan domineert en hij overlaadt Bachmann met geestdriftige brieven. Bachmann lijkt ter zelfbescherming afstand te willen houden, nu Celan getrouwd is en een zoon heeft, maar deze periode is qua intensiteit het absolute hoogtepunt in het briefcontact, getuige de aangrijpende brief die Celan 31 oktober 1957 schreef: ‘Je weet ook: je was, toen ik je ontmoette, beide voor mij: het zinnelijke en het geestelijke. Dat kan nooit gescheiden worden, Ingeborg.’

In december 1957, januari 1958 en in mei 1958 reisde Celan nog drie keer naar München om bij Bachmann te zijn. In mei 1958 liep de liefdesrelatie voor de zoveelse keer af. Eind juni 1958 verbleef Bachmann een poos in Parijs. Ze ontmoette er zowel Celan als zijn vrouw Gisèle Lestrange (Bachmanns veelzeggende correspondentie met Lestrange is hier eveneens opgenomen). In juli 1958 ontmoet Bachmann de Zwitserse architect en romanschrijver Max Frisch, met wie ze een koppel zou vormen tot in 1962. Op 11 oktober 1959 verschijnt er een door Celan als antisemitisch ervaren recensie van zijn bundel Sprachgitter. Celan vraagt Frisch om hulp, maar die probeert te goeder trouw te waarschuwen voor de vermenging van andermans anti-Joodse gevoelens met eigen rancune over een negatieve recensie. Kort daarna barst de Goll-affaire los, waarin Celan ten onrechte van plagiaat beschuldigd werd door de weduwe van Yvan Goll. Vanaf dan gaat het bergaf met Celan, die zich steeds dieper ziet neerdalen in een spiraal van manische depressie. In 1965 zou hij zijn vrouw proberen vermoorden. Hij wordt voor het eerst opgenomen in een psychiatrische kliniek. Hij zet zelf een punt achter zijn lijdenstocht in 1970 door zich in de Seine te werpen.  

Na 1961 bewaart Bachmann het stilzwijgen, hoewel ze Celan blijft verdedigen in de pers als dichter en vertaler. In 1963 en 1967 zou Celan nog twee korte brieven schrijven als reactie op berichten over Bachmann in de krant. Tot na de dood van Celan zou Bachmann blijven corresponderen met Lestrange.

Dramatische hartstocht

Een dramatische liefde lezen ligt niet voor de hand. Het is een veeleisend boek dat de lezer herhaaldelijk een oncomfortabel gevoel geeft, hoewel het  tegelijkertijd een unieke inkijk geeft op de psyche van twee getormenteerde zielen. In een brief van 19 mei 1960 verwijt Celan zijn geliefde onverschilligheid: ‘Ingeborg, waar ben je? – Daar komt zo’n Blöcker tevoorschijn, zo’n grafschenner, ik schrijf je in wanhoop, en je hebt geen lettergreep voor me over (…) Schaam je je niet, Ingeborg? Ik schrijf je, Ingeborg.” Deze scherpe en verbitterde toon is kenmerkend voor de intensiteit van een briefwisseling tussen 2 correspondenten voor wie schrijven tout court cruciaal is. Het worstelen met zichzelf, met een onwillige wereld, maar vooral met de taal staat centraal. Het bijwijlen hermetische taalgebruik vergemakkelijkt de lectuur evenmin. Reken daar de labiele psychische toestand van de depressieve Celan bij en je komt al snel tot een vrij explosieve cocktail. Het is dan ook vrij verbazend dat we als lezer gelokt worden door een achterflaptekst die ons ‘schitterende, hartstochtelijke liefdesbrieven’ belooft. Schitterend ? Zeer zeker. Hartstochtelijk ? De passie druipt eraf. Maar wie hoopt even te kunnen wegzwijmelen bij wat onvervalste romantiek zal toch bedrogen uitkomen.

In Een dramatische liefde werden voor de volledigheid ook de briefwisselingen tussen Max Frisch en Celan, en tussen Bachmann en Gisèle Celan-Lestrange opgenomen. Bepaalde ingewikkelde kwesties worden zo in de juiste context geplaatst, denk maar aan de koele brief van Frisch aan Celan waarin hij stelt dat hij geen zijde wil kiezen in de hele plagiaatkwestie, een houding die hem niet in dank werd afgenomen, noch door Celan, noch door Bachmann. Verder vinden we omstandige  nawoorden van Barbara Wiedemann, Bertrand Badiou, Hans Höller en Andrea Stoll, een overzichtelijke tijdskalender in twee kolommen en een tiental foto’s, facsimiles en illustraties.

Veertig jaar nadat Paul Celan zich van de Parijse Pont Mirabeau in de Seine gooide, legt deze verhelderende editie niet alleen een stevige basis voor onze kennis van de relatie tussen beide auteurs, maar verstevigt meteen ook het mythische karakter van deze tragische liefdesgeschiedenis.


Verschenen in: STAALKAART #6, 2010

Ingeborg Bachmann, Paul Celan: Een dramatische liefde : briefwisseling van Ingeborg Bachmann en Paul Celan, Meulenhoff 2010, vert. door Paul Beers, ISBN 9789029084789, 334 pp.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s