‘Chanson’ van Bart Van Loo: een gezongen geschiedenis van Frankrijk

tumblr_inline_pdrem7nx8f1s0xvfa_540

‘Wie van Frankrijk houdt, moet Bart Van Loo lezen’ prijkt in hoofdletters op de achterflap van ‘s mans zopas in één kloeke band gebundelde Frankrijk-trilogie. Ik voeg er met plezier aan toe dat wie Bart Van Loo leest, niet anders kán dan van Frankrijk houden. De liefdevolle bevlogenheid waarmee hij ‘zijn Frankrijk’ bezingt is ongeëvenaard en volstrekt uniek in ons taalgebied. Na reizen en kijken, eten en lezen, en vrijen en dromen zet Van Loo zijn lezers nu ook aan het zingen. In zijn nieuwste boek, Chanson. Een gezongen geschiedenis van Frankrijk, wekt hij aan de hand van de bekendste Franse chansons historische gebeurtenissen en figuren tot leven.

Het is een begeesterende en vermakelijke reis doorheen een alternatieve Franse geschiedenis, op de tonen van een essentieel onderdeel van de ongrijpbare ‘âme française’: de liedjescultuur. Met een onwaarschijnlijke ‘flux de paroles’ ontving de francofiele wervelwind ons hartelijk in zijn Antwerpse flat, niet alleen voor een kopje koffie (zonder madeleinekoekje), maar in de eerste plaats voor een fijn gesprek over onder andere de grandeur van Jacques Brel, de grilligheid van Franse presidenten en de eindeloze schoonheid van Parijs.

Mijnheer Van Loo, een gezongen geschiedenis van Frankrijk, hoe begint men daaraan?

Anderhalf jaar geleden kreeg ik van Radio 1 de vraag om in hun zomerprogrammering een rubriek over het chanson te brengen. Op heel korte tijd heb ik toen 16 afleveringen gemaakt die hier bij mij in de woonkamer zijn opgenomen. Daar is tot mijn verbazing heel wat reactie op gekomen, en zo bleek dat Vlamingen het Franse chanson nog altijd een warm hart toedragen. Ik was al een tijdje aan het broeden op een boek over de Franse geschiedenis, maar vond niet meteen de juiste invalshoek. De chansonmicrobe was heilzaam. Op een dag besprongen chanson en geschiedenis elkaar in mijn hoofd. Dat wou ik doen! Maar hoe vertel je in godsnaam de geschiedenis van Frankrijk van Clovis tot Sarkozy aan de hand van liedjes? Tijdens een zoveelste bezoek aan Parijs kreeg ik een ingeving. Toen ik op de Pont Neuf stond, met mijn rug naar de Quai du Louvre, realiseerde ik me plots dat ik door gewoon met mijn hoofd te draaien nagenoeg de hele Franse geschiedenis kon zien, van Clovis en de Conciergerie op het Île de la Cité tot het einde van het Ancien Régime, de guillotine op de Place de la Concorde. Dat ik bovendien op de geboorteplaats van het Franse chanson stond, was mooi meegenomen (vanaf de jaren 1630 ontstaan op de 2 na langste brug van Parijs de zogenaamde pont-neufs, kortere liedjes met een pikant of herkenbaar thema, gezongen op een bekende melodie, LDM). Ik had dus alvast mijn vertrekpunt en begon te schrijven. In het begin van het boek projecteer ik op een associatieve manier liedjes op de geschiedenis terwijl ik door de straten van Parijs loop. Geleidelijk verdwijn ik als verteller naar de achtergrond en vertelt het verhaal van de innige verbondenheid tussen de Franse geschiedenis en het chanson zich als het ware vanzelf.  Op het einde van het boek, wanneer we in de jaren tachtig beland zijn, keer ik weer expliciet op de voorgrond om het verhaal bij de hand te nemen en de muzikale slalom door de Franse geschiedenis af te ronden.

U lijkt de muziek nagenoeg magische krachten toe te dichten. Muziek reflecteert niet alleen de maatschappij waarin ze ontstaat, maar het omgekeerde is minstens even waar… Ik denk bijvoorbeeld aan de smartlap ‘Sombre dimanche’ van Damia, die niet op zondag mocht worden gedraaid uit angst voor een acute verhoging van de zelfmoordcijfers.

Bepaalde chansons gaan over een specifieke historische gebeurtenis, maar andersom zijn er ook liederen die hun invloed laten gelden op de maatschappij. Denk maar aan Tout va très bien Madame La Marquise van Ray Ventura. Een kolderiek nummer over een markiezin die haar butler aan de lijn heeft om te vragen of thuis alles goed gaat. Hij vertelt haar dat haar grijze merrie is overleden, dat de schuur in brand staat en dat haar echtgenoot zich heeft verhangen. Toch eindigt hij elke strofe met “Mais, à part ça, tout va très bien madame La Marquise”! Dit populaire liedje uit 1935 is visionair. Het weerspiegelt perfect wat er in die tijd in Frankrijk leeft. Terwijl in Duitsland de legerlaarzen al weerklinken, wendt het land de blik af en luistert naar het zoete gekir van Jean Sablon en Tino Rossi. Een ander voorbeeld is Les divorcés van Michel Delpech, de man van Pour un flirt (zingt het refreintje). Een heel mooi nummer uit 1973 over echtscheiding. In die tijd kon je in Frankrijk niet scheiden in onderling overleg. Delpech stelt dat onwaarschijnlijke procedé aan de kaak. Het wordt een wereldhit en ja hoor, bijna twee jaar later wordt de wet aangepast. Ik zeg niet dat er een oorzakelijk verband is tussen het liedje van Delpech en de nieuwe wetgeving, maar dit chanson vangt wel degelijk wat er in de lucht hangt. Zo zijn er veel voorbeelden. Neem nu de afschaffing van de guillotine. In 1975 veroorzaakt Michel Sardou een nationale rel met een in het ogen van velen wellicht fout nummer: Je suis pour. Vóór de doodstraf dus. “J’aurai ta peau. Tu périras. Je veux ta mort.”, zingt hij onverbloemd. Ik zie weinig zangers het hem  nadoen. Enkele jaren later volgt de repliek van Julien Clerc met L’assassin assassiné. Hij stelt dat zodra de guillotine valt het gerecht van kant wisselt en zelf een moordenaar wordt. Mitterrand was blijkbaar meer fan van Clerc, want één van de eerste dingen die hij deed als president, was de doodstraf afschaffen. Het lijkt wel alsof het chanson iets magisch heeft. Chansons bezitten trouwens werkelijk geheimzinnige krachten. Er moet maar een specifiek nummer weerklinken en in een vingerknip word je naar een bepaald moment uit je verleden getransporteerd. Een chanson is een veel sterker kompas in de zoektocht naar de verloren tijd dan een madeleinekoekje.

Uw persoonlijke voorkeuren komen vrij duidelijk naar voren. Brel, Brassens, Trenet, Gainsbourg en Cabrel weerklonken meer dan geregeld ten huize Van Loo. Juist omdat ze zo veel gemeen hadden worden de vrienden Brel en Brassens vaak in één adem genoemd. Maar wat maakt hen volgens u zo verschillend?

Brel en Brassens hebben inderdaad heel wat gemeen. Ze debuteerden in dezelfde periode en leden beiden aan een ongelooflijke vorm van plankenkoorts. Je moest hen als het ware het podium op duwen. Op het eerste gezicht lijkt Brassens’ muziek ‘kleiner’ en eenvoudiger, monotoner en rechttoe rechtaan qua melodie. Dat maakt de kennismaking niet altijd makkelijk. Brassens is bovendien ook expliciet literair, je zou kunnen zeggen dat hij een schrijver met een gitaar is. Zo heeft hij heel wat gedichten muzikaal bewerkt, iets wat Brel amper of nooit heeft gedaan. Denk maar aan Il n’y a pas d’amour heureux van Louis Aragon, dat Brassens met een mooie melodie bedacht. Zijn teksten zijn ook complexer dan die van Brel. Brassens heeft wat dat betreft iets van Dylan: je moet ervoor gaan zitten, liefst met de tekst erbij. Maar als je je die moeite getroost, dan kun je niet anders dan het hoofd buigen voor zoveel schoonheid. Terwijl Brel, ja, dat is ‘bigger than life’, emotioneel doorleefd. Brel flirt met het pathetische. Het draait bij hem rond ‘de grote gevoelens’ die hij zo vertolkt dat hij de rechtstreekse weg naar je hart weet te vinden. In die zin is het wellicht makkelijker om met Brel te beginnen. Maar pas op, hij heeft ook bijzonder subtiele, ingetogen nummers als Sur la place of La ville s’endormait geschreven. Je kunt noch Brel noch Brassens in een klein vakje stoppen. Ze zullen altijd uitbreken.

Dan is er het fenomeen Serge Gainsbourg. Wat spreekt u het meeste aan bij hem?

Gainsbourg was een kameleon. Hij jongleerde werkelijk met alle genres en kon goochelen met woorden als geen ander. Hij is begonnen met liedjes te schrijven voor meisjes (lacht), ja France Gall, Petula Clark en Françoise Hardy hebben hits aan hem te danken. Voor Gall schreef hij Poupée de cire poupée de son, waarmee ze in 1965 voor Luxemburg het Eurovisiesongfestival won. Een jaar later schreef hij voor haar nog een instantklassieker, Les sucettes, een redelijk duidelijke knipoog naar de orale liefde die het arme kind destijds helaas niet begrepen had. In de Cité Véron, een steeg vlakbij de Moulin Rouge waar Boris Vian en Jacques Prévert woonden, kwam de jonge Gainsbourg die enorm opkeek naar Vian op de koffie. Vian spoorde hem aan om zelf op te treden. Hij maakte stilaan naam en brak door met Le poinçonneur des Lilas, een ritmisch nummer vol woordspelingen en poëtische knipoogjes. Zijn affaire met Bardot spreekt natuurlijk ook tot de verbeelding, want die leidde naar Je t’aime… moi non plus van, toch één van dé chansons van de 20ste eeuw. Dat orgeltje, die bas, die stemmen, die tekst, je kunt dat moeilijk slecht vinden. Maar Bardots echtgenoot stak een stokje voor alle pret en het nummer mocht niet uitgebracht worden. Gainsbourg haalde twee jaar later zijn gram met Jane Birkin. Ondanks zijn baanbrekend oeuvre, staat hij steeds met zijn voeten in de traditie. Zo herwerkt hij La Marseillaise tot een gecontesteerd reggae-nummer en covert hij op verrassende wijze de Piafklassieker Mon légionnaire. Die electrische gitaarriff in dat nummer! Piaf had het ongetwijfeld kunnen smaken.

Boris Vian zei dat Piaf haar publiek kon doen wenen door het telefoonboek te zingen. U schat Brel hoger in dan ‘La Môme’. Waarom precies?

Ik schat Piaf minder hoog in dan Brel omdat ze naar mijn gevoel minder variatie in haar stem legt. Ik zeg dit met veel respect voor Piaf, want hoe je het ook draait of keert ze blijft de grande dame van het chanson. Maar Brel die roept, zingt, vervormt zijn stem, komt jolig uit de hoek, fluistert,… Hij heeft om zo te zeggen een heel palet tot zijn beschikking. Er zijn uitzonderingen, natuurlijk, Je t’ai dans la peau bijvoorbeeld, uit de film Boum sur Paris, waarin Piaf plots ook andere registers opentrekt. Dat doet ze te weinig, vind ik. In die zin is het moeilijker om langer naar Piaf te luisteren dan naar Brel. Volgens mij komt dat omdat Brel zelf zijn nummers schreef. Hij had meer mogelijkheden, kon alles zelf kiezen. Piaf was afhankelijk van een bataljon tekstschrijvers en componisten die om de haverklap met Piafsongs aan kwamen draven. Met haar archetypische liederen over liefde en dood spreekt ze eerder de massa aan, terwijl Brel zich meer tot het individu richt.

Brassens, de zachte rebel, zei dat als je alles schrapte uit zijn teksten wat niet van hem was, je niet veel zou overhouden. Waarmee hij bedoelde dat hij vaak te leen ging bij de Franse literatuur. Het chanson en de Franse dichtkunst lijken onlosmakelijk verbonden met elkaar…

Het is moeilijk om daar de vinger op te leggen, maar zoals ik vertel in mijn boek is alles begonnen bij de troubadours. Aangezien die gezongen poëzie aan de man brachten, zou je kunnen zeggen dat de middeleeuwen het begin van het Franse chanson én van de Franse literatuur markeerden. Literatuur werd destijds niet gelezen, men luisterde ernaar. Muziek en melodie werden daarenboven heel vaak gebruikt om de tekst te onthouden, vooral in de kerk. Eén van mijn favoriete Franse gedichten is Heureux qui comme Ulysse (begint uit het hoofd te citeren) van de zestiende-eeuwse dichter Joachim Du Bellay. Waarom ken ik die tekst uit het hoofd? Omdat het gedicht mooi en vinnig op muziek werd gezet door Ridan. Een gouden tip voor leerkrachten Frans (lacht). Léo Ferré, nog zo’n reus van het Franse chanson, heeft hele platen vol met verzen van Rimbaud, Apollinaire, Baudelaire en Villon. De dichter Paul Verlaine opent zijn gedicht Art poétique met de woorden: “De la musique avant toute chose”. Poëzie is eerst en vooral muziek, zegt hij. Hij heeft misschien wel gelijk want de etymologie wijst ook al op een wisselwerking tussen zang en poëzie. Lyriek is in het Frans ‘lyrisme’. Daar zit het woordje ‘la lyre’ in, de lier. Het muziekinstrument de lier zit etymologisch in de poëzie in gebakken. Muziek en poëzie zijn dus geboren om samen te gaan. Het is spijtig dat we in ons taalgebied niet zo’n vruchtbare traditie van muzikale bewerkingen van gedichten hebben.

Een andere opvallende kruisbestuiving bestaat tussen het chanson en film. Vele chansonniers bouwden een carrière uit als acteur, Gainsbourg draait zelfs enkele films, Jacques Demy maakt schitterende musicals, sommige liedjes zijn bekender dan de film (bijvoorbeeld ‘Un homme et une femme’). Wat is hier het verband?

Ook hier is er volgens mij sprake van een logisch gevolg. Cinema ontstaat in 1895, maar één van de eerste films met geluid is eigenlijk een musical. (The jazz singer van Alan Crosland uit 1927 waarin Al Jolson 2 keer het liedje ‘Mammy’ zingt. Het succes van deze film betekende het einde voor de stomme film, LDM). Een groot deel van de eerste films waren musicals. Alsof de reflex was: er is geluid, we zullen dus zingen! Tino Rossi bijvoorbeeld was een superster in de jaren dertig dankzij de films waarin hij zijn liedjes ten beste gaf. Of neem één van de peetvaders van het chanson, de onbetaalbare Maurice Chevalier, die een wereldwijde ster werd dankzij de vele musicals waarin hij de show stal. Later vervaagden de grenzen tussen beide media en werden acteurs zangers en vice versa: zo heeft Jeanne Moreau gezongen, net als Bardot en Deneuve. Jane Birkin was dan weer een actrice die aan het zingen sloeg en Serge Reggiani is een acteur die wellicht bekender is als zanger.

Grofweg op het moment dat u geboeid raakt door het Franse lied, ergens na 1980, kent het chanson weinig of geen internationale triomfen meer. Toeval of niet?

Voor mij begon alles wanneer mijn leraar Frans Je l’aime à mourir van Francis Cabrel in de les liet horen. Dat moet in het jaar 1989 zijn geweest. Dan zijn er al enkele sleutelmomenten gepasseerd die het chansonlandschap voorgoed zullen veranderen. Mike Brant (van de wereldhit Laisse-moi t’aimer, LDM) pleegt zelfmoord in 1975, Claude François en Jacques Brel sterven in 1978, Joe Dassin bezwijkt aan een hartaanval in 1980, een jaar later is het de beurt aan Georges Brassens. Bijna iedereen die wereldwijd bekend is, sterft in die korte tijdspanne. Dat is één gegeven. Ten tweede, vanaf dat Mitterrand aan de macht komt, gaat de grandeur van Frankrijk achteruit, een proces dat zich tot op vandaag verderzet. Je kunt er niet omheen: de internationale uitstraling van het Frans en Frankrijk is tanende. Het klopt dat er na 1980 nog weinig Franse artiesten internationaal doorbreken. Haddden ze in het Engels gezongen dan zouden Alain Souchon, Daniel  Balavoine of Dominique A veel bekender zijn. Helaas kan ik de nieuwlichters uit de eenentwintigste eeuw niet allemaal in mijn boek laten opdraven, zo ontbreken bijvoorbeeld boeiende figuren als Thomas Fersen of Etienne Daho. Ik vermeld ze wel achteraan in mijn boek, in de hoop dat enkele lezers zo zelf verder op ontdekkingstocht gaan. Net als ik, twintig jaar geleden. Ja, dit boek is het resultaat van twintig jaar spoorzoeken en rondstruinen in een fabelachtige, maar helaas bijna vergeten schatkist. Ik ben dan ook blij dat ik in opdracht van EMI een vijftigtal parels heb mogen opblinken die op de gelijknamige dubbel-cd zijn terecht gekomen. Zo is Chanson. Een gezongen geschiedenis van Frankrijk ook echt een boek geworden waar muziek in zit.


Verschenen in: STAALKAART #12, 2011

Chanson. Een gezongen geschiedenis van Frankrijk van Bart Van Loo, De Bezige Bij 2011, ISBN: 9789085423010, 368 pp.

De Frankrijktrilogie, Eten! Lezen! Vrijen! van Bart Van Loo, De Bezige Bij 2011, ISBN: 9789085422860, 1023 pp.

Volg Bart Van Loo op www.bartvanloo.info en ttp://bartvanloo.blogspot.com/

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s