‘Op eenzame hoogte’ van Luc Boudens: de vreugdevolle verrijzenis van een literair wonderkind

tumblr_inline_pe83l5gugI1s0xvfa_540

Na meer dan 20 jaar van wat men ‘letterkundig onderduiken’ zou kunnen noemen, verrast schrijver en kunstenaar Luc Boudens vriend en vijand met een nagelnieuwe roman. Op eenzame hoogte is het puntgaaf vertelde verhaal van de bejaarde investeerder Amaury en diens neergang in de diepste krochten van de liefdeshel wanneer hij als een steen valt voor de charmes van het jonge, dartele veulen Bastien, een flierefluitende student met wie hij niet alleen de lakens deelt maar ook een passie voor Jean Cocteau. De door uitgeverij Vrijdag grootmoedig aangekondigde ‘vreugdevolle doch onverhoopte verrijzenis van een literair wonderkind’ is een feit.

De roman speelt zich af in Brussel, maar we ontmoeten Boudens op het zonovergoten terras van café Hopper, schuin over het Museum van Schone Kunsten in Antwerpen, de stad waar hij sinds jaar en dag leeft en werkt. Boudens zit nonchalant en wijd voor zich uitgespreid Le Soir te lezen. Hij ziet er onberispelijk uit, om door een ringetje te halen, een onvervalste dandy: witte linnen broek, lichtblauw hemd met bijpassend jasje en smalle das, felblauwe priemende pretoogjes, zijstreep in het kortgeknipte haar én een potloodsnorretje. Dit is duidelijk zijn biotoop, hij praat ontspannen en ronduit, grapt wat met de dienster, steekt af en toe een Richmond op (“Morgen kan ik stoppen als ik wil. Morgen, want vandaag kan niet meer, want ik heb al gerookt”). Dit is een man van de wereld, een man die menig watertjes doorzwommen heeft, zoveel is duidelijk. Een man ook die van een kwinkslag houdt, maar met vuur en ter zake over zijn literair werk vertelt.

Wanneer ik hem voorzichtig meedeel dat Op eenzame hoogte het eerste boek is dat ik van hem lees, roept hij uit, vergezeld van een theatraal gebaar: “Schande! Maar goed, je kan binnenkort je schade inhalen want er komen een aantal vroege werken in herdruk.” Ongeveer gelijktijdig met Op eenzame hoogte brengt Uitgeverij Leesmagazijn in coproductie met uitgeverij Vrijdag Boudens’ romandebuut uit 1989 Het zijn lange dagen opnieuw uit: “Een klassieker in zijn genre die zich afspeelt in de wervelende stede Kortrijk, mijn geboortestad. Behalve dat ik daar geboren ben, heb ik daar niets meer te zoeken. Hoewel ik deze woorden binnenkort misschien zal moeten intrekken want er waren ooit verregaande plannen voor een verfilming.” In 1988 debuteerde Boudens meteen met 2 boeken, 2 verhalenbundels, De tiende provincie en Vrijdag visdag. Die laatste komt begin volgend jaar eveneens opnieuw uit. Boudens: “De taal waarin die eerste boeken geschreven zijn, sprak de uitgevers zo aan dat ze er mee aan de slag wilden. Ik heb er dan ook niets aan veranderd.”

Eind jaren 1980 werd Boudens ingehaald als ‘literair wonderkind’, samen met die andere ‘mooie jonge goden’ Brusselmans en Lanoye. Boudens wimpelt het lovende epitheton af: “Ach ja, wij waren toen allemaal jonge, schrijvende mannen, maar mooi? (lacht) Ik herinner mij dat Hans Warren enthousiast over mijn boeken was, waarschijnlijk omdat het over homoseksualiteit ging. Je mag niet vergeten dat er toen weinig was. Er gebeurde bitter weinig. Ik ben nooit echt bezig geweest met mijn schrijverscarrière. Mijn boeken zijn nooit echt doorgebroken en dat ligt geheel en al aan mezelf. Ik deed er geen moeite voor.”  Na Het zijn lange dagen verschijnt in 1990 nog een roman, Het lijden van de jonge Werner en een dichtbundel, Wie legt er mee patience? Al deze boeken verschenen bij Dedalus, waar toen Rudy Van Schoonbeek uitgever was: “Rudy zit nu bij Vrijdag. Ik ben in die zin trouw aan mensen. On revient toujours à ses premiers amours, zeggen de Fransen.”

Op enkele bibliofiele dichtbundels na, telkens in zeer beperkte oplage, verschijnt er nadien niks meer en legt Boudens zich toe op de plastische kunsten, met succes. Waarom zat er zo lange tijd tussen de 2 romans? “Er zit inderdaad wel een tijdje tussen. Een jaar of 25 (lacht). Maar alle gekheid op een stokje. Ik vond dat ik op een bepaald moment niets meer te vertellen had. Dus toen zweeg ik maar. En heb me vol overgave op de plastische kunsten gestort. Ik ben wel altijd blijven schrijven, vooral poëzie. Plots had ik dit verhaal over Amaury en Bastien. Het schreef zich zelf. Zoals dat altijd bij mij het geval is geweest. Schrijven is even focussen, voor een bepaalde tijdspanne met niets anders bezig zijn.”  Boudens is bijzonder verheugd dat een deel van zijn vroeger werk terug beschikbaar zal zijn: “Hoewel ik en sourdine voortdurend bezig was met schrijven, waren die herdrukken een uitgelezen trigger om terug aan een roman te beginnen. Bovendien was er nog een andere, meer ludiek motivatie. Op eenzame hoogte is opgedragen aan een goede vriend van mij, Alban (Sarens, verzorgt de toetsen en de tenorsax bij de Antwerpse rockband Sir Yes Sir). Die beweert dat hij nog nooit een boek heeft gelezen. Toen vroeg ik hem en wat als ik er nu eens eentje speciaal voor jou zou schrijven, zou je het dan lezen? En, voilà! U vraagt, wij schrijven.” Inmiddels heeft Boudens de schrijfmicrobe weer flink te pakken en krijgen we op de koop toe een scoop voorgeschoteld: “Ik heb ook een nieuwe verhalenbundel klaar. Met 200 korte verhalen. Dat lijkt veel, maar het zijn telkens verhalen van ongeveer één uitgetikte pagina. In druk is dat ook plusminus een blad. Het ging mij verassend goed af om op één pagina een hele wereld van a tot z te krijgen. Met begin, midden en slot. De werktitel van de bundel is In het hoofd van een ander omdat het bijna allemaal innerlijke monologen zijn. Ik heb het manuscript bezorgd aan de uitgever. Hopelijk doen ze er iets mee.”

Dat Boudens goed op dreef is, mag blijken uit Op eenzame hoogte. Het is stilistisch beheerst, gebald in een verfijnde constructie, universeel. Het is het schrijnende verhaal van de bejaarde bankier en kunstverzamelaar Amaury, de enige overblijfende nazaat van een gefortuneerd geslacht, en diens ontmoeting met de frivole student Bastien. Amaury betrekt een bescheiden stulpje, met huispersoneel, op het einde van de Louizalaan, aan het Ter Kamerenbos, in zo niet de meest exclusieve dan toch de duurste straat van België: de Bossquare. Deze doodlopende straat, in de volksmond quartier des milliardaires geheten, wordt van de ‘gewone’ wereld afgeschermd door een gigantisch hekken, inclusief een waakdienst en een toegangscode. Boudens beschrijft het opulente milieu van Amaury met veel kennis van zaken. Is hij misschien een ervaringsdeskundige? “Internet, mijn beste. En veel lezen. Je kan er hoe dan ook niet binnen. Zelfs de Google-wagen voor de street view-functie geraakt er niet in, die moet aan het hekken rechtsomkeert maken! Ik kom als eens buiten en ben als gast ooit wel in dergelijke huizen geweest, maar meer niet. Het huis dat ik beschrijf is imaginair, zo’n huis staat er zelfs niet.”

Op eenzame hoogte is een vrij klassieke roman, geheel in de lijn van de rigiditeit van Amaury’s leefwereld. Maar het heeft ook iets van een modern sprookje, en – om bij Cocteau te blijven – La Belle et la Bête. Amaury leeft in zijn eigen wereld, met als symbool zijn droomkasteel in de Bossquare. “Hij is wereldvreemd, omdat hij niet anders kan. Hij heeft nooit anders geweten. Zo is hij grootgebracht. Dat merk je ook aan zijn taalgebruik. Hij is als verteller al even onderkoeld en zakelijk.” Opvallend zijn de scènes waarin Amaury in een spiegel kijkt, met een andere versie van zichzelf wordt geconfronteerd, net als in de fameuze spiegelscène uit Le sang d’un poète. “Amaury kent alleen maar traditie. Al het illusoire boezemt hem angst in, maar Bastien doet hem luidop dromen van een andere mogelijke wereld. Hij begrijpt het gewoonweg niet omdat hij een product is van zijn omgeving en zijn opvoeding. Hij is bij wijze van spreken enkel en alleen op de wereld gezet om het familiefortuin verder te doen groeien. Ook zijn onderliggende verzuchtingen, in het bijzonder zijn homoseksualiteit, die zijn onbespreekbaar, zeker in die tijd, en nog meer in het milieu waar hij opgroeit.”

Ondanks zijn strikte en zakelijke karakter – zelf noemt hij zich “geharnast” – laat Amaury zich door Bastien toch in de luren leggen. Bastien ontfutselt hem geld, flirt met andere, jongere mannen. Trapt Amaury in de val? “Wel, een val is het niet echt. Amaury stelt zich van alles voor, terwijl Bastien gewoon is wie hij is: een jonge gast die een avontuurtje heeft met een oudere man. Amaury is in de eerste plaats het slachtoffer van zijn verbeelding, hij zit achter een luchtbel aan. Hij is zo overdonderd door wat hem overkomt – die verliefdheid! – dat hij bijna de pedalen verliest. Ik heb trouwens het plan opgevat om in een volgende roman hetzelfde verhaal te vertellen maar dan vanuit het standpunt van Bastien. Een kijk in de coulissen van Op eenzame hoogte.”

Ondanks zijn verkramptheid heeft Amaury ook vuur en passie in zich. Hij leeft voor zijn kunstverzameling en is een gepassioneerd pianist die muziek als een heilzame uitlaatklep ziet. “Ja, muziek is erg belangrijk voor hem. Hij heeft een opvoeding genoten in Zwitserland, aan het exclusieve college Le Rosey waar ook onze voormalige vorst Albert school liep. Daar heeft hij piano leren spelen. Hij had er een voetje voor op de anderen omdat hij als enige gebruik maakte van de aanwezige vleugel en zijn instrument niet had laten overvliegen.”

De afstand tussen Bastien en Amaury is bijzonder groot. In de proloog zegt Amaury over Bastien dat hij van hem heeft genoten zoals anderen van ‘een kleurrijke papegaai’. Op een ander moment, wanneer Amaury gasten heeft, verstopt hij Bastien in een kamer met een fles wijn en zijn laptop en doet Bastien af als een ‘zwembadtechnicus’. Dat is allemaal zeer denigrerend. “Het is kenmerkend voor zijn paternalisme en zijn neerbuigendheid. Die gereserveerdheid krijgt hij er nooit uit. Amaury zegt het al in de proloog: hij heeft juist gehandeld zoals iemand als hij áltijd juist handelt. Maar hij is geen snob. Snob betekent oorspronkelijk ‘sine nobilitas’, zonder waardigheid, zonder pretentie. Hij is wél nobel, want vermoedelijk van adel. Daarom kan hij zich permitteren om te zeggen dat zijn lijfarts een snob is omdat die zijn dochter heeft uitgehuwelijkt aan iemand met 2 scharnieren in zijn naam.”

De geest van Cocteau waart doorheen het hele boek. Amaury is een gretig verzamelaar en weet 2 exemplaren op de kop tikken van Le livre blanc, de beruchte homo-erotische autobiografie van Cocteau uit 1927. De liefde voor Cocteau blijkt uit de kennis en de details waarmee Boudens die beschrijft. “Ik vond die homo-erotische tekeningen indertijd erg boeiend, natuurlijk! Maar goed, via de plastische kunsten kwam ik dan terecht bij Charles de Noailles en de hele kliek rond hem, Man Ray en zo. Ik heb een tentoonstelling gebouwd rond de villa in Hyères, ontworpen door Robert Mallet-Stevens. Ik heb ook Maurice Sachs gelezen, de collaborateur die door de Duitsers is geëxecuteerd en die naar het schijnt de eerste uitgever was van Le livre blanc. Enfin, het is een brede kennis die niet dwingend is, maar mij wel altijd heeft geboeid heeft, een amalgaam van interesses, zeg maar.” De roman start trouwens met een grappige scène waarin Bastien Amaury op het terras van het Brusselse hotel Métropole voor Jean Marais aanziet. “Ja, en later in het boek heeft Amaury een gesprek met zijn Luxemburgse vrienden in het restaurant Ecailler du Palais Royal, het poepsjiek restaurant aan de Zavel waar Amaury zijn eigen tafel heeft, over La Belle et la Bête. Dat koppel heeft namelijk op Arte een hele avond over Marais gezien en ze vinden eveneens dat Amaury iets van de Franse acteur wegheeft. Los daarvan, het incident op het terras is geïnspireerd op iets wat ik zelf meemaakte toen ik ongeveer 27 was. Ik liep op een dag in Brussel rond en zag Jean Marais effectief op dat bewuste terras zitten. Ik heb nog altijd spijt dat ik hem toen niet heb aangesproken.” Boudens wijst mij nog op een andere verwijzing: “De vriend van Bastien heet Thomas. We komen alleen zijn initialen te weten, namelijk ‘D.L.’ Die staan natuurlijk voor ‘de leugenaar’, een knipoog naar ‘l’imposteur’ bij Cocteau. Ik hou wel van dergelijke allusies. Zo heb ik al de namen van de stichters van het linkse satirische magazine Hara-Kiri veredeld en er de namen van Amaury’s zakenpartners van gemaakt. In één vingerknip van anarchist tot kapitalist!”

Amaury twijfelt op een gegeven moment aan Bastien omdat die ‘had vergeten zijn masker op te zetten’. Elders zegt Amaury dat hij door Bastien ‘druppelsgewijs werd verdoofd’. Bastien heeft een verraderlijk tonicum, wordt voorgesteld als een soort magiër, bijna als een saltimbanco. Bastien is een uitgesproken Cocteauiaanse held: jong, knap, met mysterieuze krachten. “Wel, je weet dat Cocteau’s bijnaam ‘L’arlecoq’ was? De speelse bedrieger, een harlekijn, een zinsbegoochelaar. Amaury denkt alleen maar aan Bastien, verliest zich letterlijk in hem, hij is in de ban. In die zin laat hij zich zeker in de luren leggen.”


Verschenen in: STAALKAART #27, 2014

Op eenzame hoogte van Luc Boudens, Vrijdag/Leesmagazijn 2014, ISBN 9789460012693, 168 pp.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s