‘Niets te vieren’ van Pjeroo Roobjee

tumblr_inline_pehhhfTOQF1s0xvfa_540

We steken de taalgrens over en zakken af naar Ellezelles, een door een onverschillige goddelijkheid tegen de heuvels tussen Vlaanderen en Wallonië geplakte gemeente van 5.000 inwoners, en sinds 20 jaar de woon- en werkplaats van schrijver-schavuit Pjeroo Roobjee. Beroemd is de jaarlijkse heksensabbath van Ellezelles, of Elzele zoals sommigen zeggen, naargelang aan welke kant van de heuvel ze staan, en in het verlengde daarvan, de ‘Sentier de l’étrange’, een 7 kilometer lange wandelroute met onderweg tientallen sculpturen van de lokale excentriekeling Jacques Vandewattyne. Deze folklorist  zou ook de Hercule Poirot-mythe in het leven hebben geroepen: inderdaad, de bekende detective en liefhebber van de grijze hersencellen is hier geboren. Dat Poirot een fictief personage is kan niemand hier deren. Ten bewijze: een geboorteakte en een door Vandewattyne gemaakt standbeeldje, dat vlakbij het dorpsplein op de hoek van een huis hangt. Klim je iets verder de heuvel op, de bossen in, dan kom je terecht bij de Roobjees. We worden zeer hartelijk ontvangen en werkelijk alles zit mee: de winterzon werpt een prachtig licht over de groene vallei, de kwispelende hond verwelkomt ons met vrolijk geblaf en de zwarte kat ligt te soezen op de oprit. Op de thee, bij Pjeroo Roobjee.

Mijnheer Roobjee, uw nieuwe roman heet Niets te vieren, maar paradoxaal genoeg is het dit jaar precies 50 jaar geleden dat uw romandebuut De nachtschrijver verscheen, bij uitgeverij Manteau in 1966 om precies te zijn. Was het de bedoeling uw lezers aan deze heuglijke verjaardag te herinneren via deze subtiele hint?

(Verbaasde blik, gevolgd door een korte stilte) Enfin, ik ben blij dat u er mij aan herinnert, want daar had ik zelf eerlijk waar niet aan gedacht. Echt niet. De démarche om dit boek te schrijven was van een geheel andere aard. Ik wilde al geruime tijd eens een thriller schrijven die geen thriller is, een thriller waarin er eigenlijk niets gebeurt. En de titel is een citaat van mijn hoofdpersonage, de gevallen vrijgezelle edelman Roderick Ponto Da Ponte, een decadent figuur die met zichzelf niet hoog oploopt en heel goed weet waar zijn feilen en falen ligt. Rodericks bloed is dun geworden, een beetje teveel incest en van die dingen. Hij denkt of zegt tot drie keer toe in het boek dat er ‘niets te vieren’ valt. Het hele boek gaat erover dat er voor hem en de anderen – voor protagonist en antagonisten – weinig te vieren is, hier neerwaarts in dit tranendal. Er wordt bitter weinig geleefd, men laat zich makkelijk leven en meedrijven met de stroom. En het lijkt erop dat niemand iets doet om uit dat nietsdoen te geraken.

Als ik het goed uitgerekend heb is dit uw 14de roman. In 50 jaar is dat ongeveer om de 3,5 jaar een nieuwe roman. Dit is behoorlijk consequent en indrukwekkend. Hoe blikt u terug op uw schrijverscarrière, na 50 jaar?

Dat zou wel eens kunnen, ja. U houdt de dingen blijkbaar beter bij dan ik. Ik blik enkel terug als ik eens zwaar getafeld heb of wanneer ik treurig ben, maar nooit langer dan een fractie van een seconde. Anders gezegd, ik kijk niet graag achterom. Ik kijk nog steeds naar de toekomst, naar wat komen moet. De oude knaap die ik ben, blijft jeugdig genoeg om nog vooruit te blikken. Ik leef meer dan ooit in het  heden. Dit boek bijvoorbeeld is voor mij al een jaar oud, achter de rug bij wijze van spreken. Ik ben al volop bezig met een nieuwe roman, weerom een groot jongensboek, zoals men dat van mij gewoon is.

U heeft altijd uw eigen weg bewandeld, geen compromissen gesloten. U veranderde dan ook heel regelmatig van uitgever. In 2003 zat u kort zonder uitgever toen Van Halewyck u in de steek liet. In 2007 kwam Demian even op de proppen, nu is Querido uw vaste uitgever. We zijn nu alweer bijna 10 jaar verder. Ik heb de indruk dat u weer op eenzelfde lijn zit met uw uitgever?  

Ja, zeer zeker. Het is inmiddels mijn vierde boek bij Querido. Let wel, ik ben in het verleden nooit actief op zoek gegaan naar een uitgever. Het lot beschikte dat een aantal ervan op mijn weg zijn verschenen. Waaronder een aantal die dan jammer genoeg plotseling op de fles gingen. Het waren immers vaak kleine uitgevers. Of neem nu een figuur als Jan Denolf die bij Kritak het literair fonds bestierde en mij er binnenhaalde. Nadien is dat dan Van Halewyck geworden en toen was er die breuk. Na een tijd kwam dat ter ore van Querido die me kort erna vroegen om tot hun fonds toe te treden. Zo ging dat nu eenmaal. Ik heb nooit manuscripten opgestuurd naar uitgevers. Mijn uitgeefgeschiedenis is steeds onbevangen en spontaan verlopen, via mensen die wel iets in mij zagen.

U heeft een trouw publiek, zeg maar een cultaanhang…

Ja, dat heb ik al meer gehoord. Ik heb alleszins een aantal vurige verdedigers van mijn werk, sommigen  daarvan zijn erg beslagen in de literatuur. Mensen, vrienden, die mij heel trouw zijn en waar ik veel warmte heb van ondervonden.

Dimitri Verhulst bijvoorbeeld,  die u in 2009 een ereplaats gaf op het literair festival ‘Zogezegd in Gent’, in de Vooruit en die uw oeuvre “de grootste roetsjbaan ter wereld” noemt.

Ja, Dimitri, zeer zeker. Christophe Vekeman is nog zo iemand. Dat doet mij natuurlijk veel plezier, juist omdat het van kunstbroeders van dat kaliber komt. In het verleden hebben Campert en Claus mij door dik en dun verdedigd. De steun die ik nu krijg is minstens even hartverwarmend.

U bent een beetje een ‘writers’ writer’.

Dat wordt wel eens gezegd. Maar, ach, waar begint dat? En vooral, waar stopt het? Ik weet het zelf niet. Men gebruikt die term graag om mijn geringe verkoopcijfers te duiden, vermoed ik (monkellachje). Die cijfers zijn een direct gevolg van de vorm en inhoud van mijn boekjes. Maar om het eenvoudig te zeggen, de steun die ik krijg van kunstbroeders als Dimitri en Christophe, daar is mij meer om te doen dan een publiek hebben van anderhalf miljoen lezers.

In Niets te vieren komt er een schrijverspersonage voor, die bovendien ook kunstschilder is… De vreemde vogel Norman, de minnaar van Rodericks moeder. Dat klinkt bekend in de oren, ‘schrijver-schilder’.

Norman is gefrustreerd in van alles en nog wat. Een beetje een gigolo-figuur. Alles wat kwalijk is of wat hij als kwalijk ervaart naar zijn persoon toe, maakt hem natuurlijk des duivels. Het is een waanzinnig figuur.

Hij zorgt voor één van de hoogtepunten in de roman: wanneer hij voor de spiegel staat en zichzelf de hemel in prijst.

Zijn ego is erg groot, maar tegelijk heeft hij een gigantisch minderwaardigheidscomplex. Het complex van de niet-begrepene. Wat hij voor een deel speelt, maar tot op het punt dat het geen spelen meer is. Je kan in hem inderdaad probleemloos veel nationale en internationale schilder-schrijvers herkennen.  Maar hij staat wel tegenover een zeer sterk personage, namelijk Elvire de overspelige moeder van Roderick. Maar ik mag niet teveel verklappen, natuurlijk (gniffel).

Roderick zelf is ook een bijzonder geslaagd amalgaam, of samenraapsel van beroemde literaire figuren. Hij deed me bijvoorbeeld denken aan Des Esseintes uit A rebours van Joris Karl Huysmans of aan Frederick Rolfe, beter bekend als baron Corvo…

Absoluut, dat decadente heeft hij zeer zeker. Hij heeft blauw bloed, maar is ook politieagent en zijn moeder heeft een mosselkot. Hij ligt bovendien onder de knoet van de maffia en hij heeft een gigantisch complex tegenover zijn eeuwige verloofde, de onaanraakbare Florinda, omwille van wie hij verbannen wordt. Tijdens zijn reis-ballingschap, op zoek naar de moordenaar van zijn oudtante Louise, wordt hij bovendien geconfronteerd met een soort Lolitafiguur, Teagan. Zij brengt het grofste, gemeenste en vulgairste in hem naar boven. Wat we ook kennen van bij de decadenten is zijn knoert van een verslaving aan allerhande bewustzijnsverruimende roesmiddelen. Roderick is niets meer of minder dan een junk. Flitsend onbetrouwbaar, op het randje van schizofreen… Om het in beeldverhaaltermen te zeggen: het gaat ‘m over de tweespalt tussen dat nobel blauw bloed van zijn vader en het aardse, volkse van zijn moeder.

U heeft een heel eigen idioom, uniek in ons taalgebied. Eén zin is voldoende om te weten dat het over een tekst van Roobjee gaat.  U combineert verouderde woorden (‘amerij’, ‘kalsijde’, etc.) met dialect (‘swenst’, ‘ammelaken’, ‘kwistenbiebel’) en neologismen (‘zeet’ voor zitplaats, ‘kluisgaten’ voor ogen, ‘loeken’ voor kijken, ‘onderdanen’ voor voeten). Voeg daar nog bij op stilistisch vlak: hyperbolen, herhalingen, ellipsen, etc. en we hebben een idee van uw taal. U laat geen enkel taalregister ongeopend.

Een andere hebbelijkheid is het gebruik van metaforen en vergelijkingen die op niets slaan, maar juist daardoor toch weer een betekenis krijgen. Het is hoe dan ook altijd een zoektocht naar le mot juste, maar onderweg laat ik alles wat die zoektocht behelst, staan. Ik knip en plak. Het is nooit mijn betrachting geweest om een realistische wereld te scheppen. Enfin, toch geen realisme dat zich anderhalve kilometer boven de grond afspeelt. Alleen dat al vraagt een speciaal idioom… Bovendien probeer ik aan iedere medespeler zijn of haar eigen idioom mee te geven. Daardoor wordt er bijna vanzelf een universum geschapen, waarvan men zegt dat het uniek is. En dat een huwelijk aangaat met mijn betrachtingen, met het verhaal en de personages. Eigenlijk is die samensmelting zowel grof alledaags als verheven en groots.

Uw taalgebruik wordt wel eens als barok omschreven, maar dat is naar mijn gevoel een vlag die de lading niet dekt. Hoe zou u zelf uw taal omschrijven?

Ik ga daar evenmin mee akkoord. Bij de term ‘barok’ denk ik aan een soort woordendiarree waarachter geen betekenis meer schuilt. Een lege doos, met wat franjes. De wereld is naar mijn gevoel ook verre van barok. Wat u eerder zei over de decadenten, daar kan ik mij beter mee identificeren: mijn werk heeft meer te maken met literaire personages uit vervlogen tijden. Met de symbolisten bijvoorbeeld, waardoor het een draai krijgt, licht en vrolijk wordt, of grappig en absurd.

Uw schriftuur is complex, dwingt bij de lezer zelfs een zekere vertraging af. Net omdat uw taal zo rijkgeschakeerd is, tot in het diepste van de syntaxis, vraagt het lezen van uw teksten een extra  inspanning. Ervaart u dat ook als auteur? Ik bedoel dat het schrijven een moeizaam proces is of heeft u inmiddels een zekere vloeiendheid, vanzelfsprekendheid in uw taalgebruik bereikt?

Nee, het blijft even hard werken. Maar bijvoorbeeld de columns die ik voor H ART schrijf, zijn minder moeizame lectuur. Die blijven wel van dezelfde vent, natuurlijk, maar zijn iets makkelijker leesbaar. Ik heb echter nooit de indruk dat ik erg hard zit te kneden aan mijn literair werk. Uiterst belangrijk is wel wat er staat, dat moet voor mij overduidelijk én juist zijn. Als dat meanderende of op het eerste gezicht complexe, kunstmatige of overdreven zinnen oplevert, dan is dat enkel en alleen omdat het nodig was. En dan kan het mij niet schelen hoe dat overkomt. Het moet er komen te staan zoals ik denk dat het muziekje er moet staan. En dat muziekje hoort bij elk personage, elk personage heeft zijn eigen deuntje. Laat duidelijk zijn dat ik mij niet uitsloof om origineel voor de dag te komen. En het is ook niet zo dat het met de tijd rapper of makkelijker gaat.  Neen, dat blijft even moeilijk. Hoe dan ook, voor de intelligente lezer is dat allemaal quatsch. Ik vind dat je sommige dingen moet durven ondergaan, een beetje achterover leunen kan nooit kwaad. Als ik iets subliems lees van Faulkner of Joyce versta ik het omdat ik het onderga. Als je als lezer struikelt over iets onbekends of iets moeilijks, dan blijf je bezig. Je moet als lezer durven ondergaan, loslaten, je laten meevoeren.

U wordt al eens bestempeld als ‘een woordsmid’: u houdt zich ver van computers, schrijven is voor u duidelijk een ambacht, om met Pavese te spreken?

Vroeger had ik de gewoonte om alles wat in mijn hoofd opkwam – en dat paste bij het boek waar ik op dat moment aan bezig was – neer te schrijven op van alles en nog wat, op allerlei soorten kladpapier en daar dan een soort eerste versie van te maken met de kroontjespen, tot een derde versie toe. Met Pralina’s pracht was dat toen, herinner ik mij nu nog steeds, een ongelooflijke lange arbeid. De laatste jaren heb ik daar geen behoefte meer aan, ik bedoel om met de pen nog veel werk te maken. Al dat knippen en plakken, heb ik vervangen door van de eerste keer met de oude typemachine te werken. Die aangepaste werkwijze heeft ook te maken met het feit dat ik denk dat mijn tijd hier beperkt wordt, dat moet evenzeer gezegd.

U zei het daarnet al: het muziekje moet kloppen. Uw taal is erg muzikaal. Het kan niet anders of u staat hier tijdens het schrijven geregeld luidop te scanderen, op zoek naar het juiste ritme en de correcte toon?

Wel, ik doe dat zeer zeker, maar innerlijk. Hoewel, het gebeurt dat het naar buiten komt, hoor. Nu ik enkel nog typ, komt er ook een andere soort muzikaliteit bij kijken. Wanneer ik die stugge Adler-schrijfmachine hoor  zingen, dan weet ik dat we goed bezig zijn. Ook daar moet het muziekje juist zijn. Men heeft me wel eens verweten dat ik een schrijver ben zonder plot. Ik vind dat vreemd. Ten eerste, weiger ik dat te erkennen, want al mijn boeken hebben wel degelijk een plot. Toegegeven, soms is die magnifiek, soms wat goedkoop, maar er is er wel altijd één. Maar ook op dat vlak is dat fameuze muziekje van belang, tot op het einde. Het is een ander soort muziekje, maar dat moet evenzeer juichend gaan. Het is geen amechtig proza dat ik schrijf. Er wordt steeds geademd. Als men dat in mijn eenvoudig oeuvre kan herkennen, dan valt het allemaal wel mee, denk ik.

Een constante in uw romans is humor. U bent bijwijlen hilarisch, hoewel de universa die u oproept vaak ook heel duister zijn…

Ja, verwarring schoppen, chaos creëren is steeds een nuttige bezigheid.  Niet alleen om de lezer op het verkeerde been te zetten, maar ook om een ommeslag te geven aan het hele verhaal, waardoor het een andere kant opgaat, tot nadenken stemt. En ook de tragiek, de somberheid en het nihilisme, die er bij mij op een rare manier toch altijd weer inkruipen. Enfin, bij mij komt dat er organisch uit. Soms zijn die boekjes van mij inderdaad heel tragisch, heel zwart.

Hoe verhoudt uw literair werk zich tot uw beeldend werk? Ik las ergens op het internet: “Er is een opvallende symmetrie tussen zijn literair en zijn plastisch werk”, namelijk dat uw werk tragiek en komedie combineert.

Goh, dat vind ik wat simplistisch uitgelegd. Mijn werk is allesbehalve tragikomisch. Noch mijn schrijfsels, noch mijn schilderwerk. Ik heb altijd gezegd: wat ik niet kwijt kan in mijn literatuur, kan ik kwijt in mijn plastisch werk. Dat plastisch werk, dat zijn ‘stills’. Dat wordt begrensd door de grenzen van het canvas, ik kan niet over die grenzen heen uitbreiden. Het is dan aan de ‘lezer’ van dat schilderij om het in een context te plaatsen. Al schrijvend heb ik veel minder begrenzingen. Maar zonder die tragikomische stempel te willen dragen, is er natuurlijk wel altijd een soort huwelijk tussen de literatuur en wat ik als schilder voorstel. Maar je mag nog een overzichtstentoonstelling hebben in het Louvre, het zal altijd beperkter blijven dan wat je als schrijver vermag. Dat vind ik wel.


Verschenen in: STAALKAART #32, 2016

Niets te vieren van Pjeroo Roobjee, Querido 2016, ISBN 9789021402024, 272 pp.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s