‘Dit is geen slaapkamer meer nu’: nagelnieuwe gedichten Christophe Vekeman

tumblr_inline_pehi1erk7y1s0xvfa_540

Op het verkeerde been gezet door de slagschaduw van de Gentse Sint-Machariuskerk zijn we op zoek naar de voordeur van Christophe Vekeman. Wanneer we op een brievenbus het witte silhouet van een longhorn skelet-gewei zien, weten we dat we onze bestemming hebben bereikt. De volkswijk is heel even de prairie en zo hoort het. Vekeman, duidelijk in zijn nopjes want een nieuwe dichtbundel is zopas verschenen, opent gezwind de deur. Hij is vestimentair onberispelijk: geheel gehuld in donkerblauwe jeans, afgetopt met een strak gestreken hemd, stoer geschoeid in genagelde cowboyboots en met de kuif trouw hemelwaarts priemend. We trekken naar  hoe kan het anders – “de schuur” in de binnentuin voor een gemoedelijk voortkabbelend gesprek over Johnny Paycheck, poëzie of niet en declameren of creperen. ‘Poëzie is voor mij een seksueel genre. In die zin dat het mij de mogelijkheid biedt om te schrijven op de manier van een rock-‘n-roll-artiest die op het podium staat. Zelf beschouw ik mijn gedichten als een soort van gestileerde oerkreet, een gebalde schreeuw van lust en seksualiteit.’

Vekeman heeft me een pint in de handen geduwd, me de weg naar de lederen zetels getoond en de kachel aangestoken, hoewel het monter lenteweer buiten zijn ding doet. Gewoontebeesten als we zijn trekken we meteen van leer met de eerste vraag.

Mijnheer Vekeman, de lezers kennen u in eerste instantie als romancier. U debuteerde in 1999 met de roman Alle mussen zullen sterven. Tien jaar later publiceerde u Señoritas, een bundeling podiumteksten en gedichten. Het was dus wachten tot Dit is geen slaapkamer meer nu voor een nieuwe verzameling gedichten, die een beetje – laten we een kat een kat noemen – als een verrassing komt.

Mijn schrijverschap is inmiddels inderdaad 17 jaar jong. In september komt mijn 13de boek uit. Als ik dat nu zo zeg, klinkt het allemaal nogal oneven, maar zover staat het dus: 13 boeken op 17 jaar. Deze keer is het geen roman maar een boek over countryzanger Johnny Paycheck, een van de prominente figuren in de zogeheten ‘outlaw movement’ van de countrymuziek uit de jaren zeventig. Kerels als Waylon Jennings, Willie Nelson, dat waren zowat de topfiguren van die beweging, een beweging die er prat op ging om terug te grijpen naar de rauwe, harde, honkytonk-achtige country van Hank Williams en Lefty Frizzell uit de jaren 40 en 50. En die zich onvermoeibaar afzetten tegen de Nashville-country met veel strijkers, achtergrondkoortjes en kilo’s suiker. Omdat er over Paycheck nog geen klassieke biografie bestaat, ook niet in Amerika, dacht ik, dat schrijf ik wel even (betekenisvolle gniffel). Uiteindelijk is het een boek geworden dat tussen biografie, autobiografie, essay en roman inzit. De slagzin luidt dan ook ‘Een boek zoals je er nog nooit een hebt gelezen, over een man van wie je nog nooit hebt gehoord’ (verse gniffel). Maar nog voor het boek over Paycheck uitkomt, leek het mij het juiste moment om een bundeling gedichten te publiceren.

Zijn het allemaal recente gedichten?

Het zijn gedichten die geschreven zijn in of na 2009. Ik zie de bundel als een soort ‘best of’ van mijn poëtische productie vanaf dat jaar. Net zoals Señorita’s een ‘best of’ van podiumteksten, gedichten en andere column-achtige teksten was. Of zoals Leven is werk een bundeling was van stukken over literatuur, essays, reportages en interviews die ik had geschreven of afgenomen. Wanneer je zo’n bundel gaat samenstellen, probeer je er toch een zo coherent mogelijk boek van te maken. Ik heb, toen ik de eerste versie van Dit is geen slaapkamer meer nu had samengesteld, nog een aantal kleine gedichten geschreven om op de valreep aan de bundel toe te voegen, met de bedoeling  het algehele tempo beter te krijgen. Het zijn enkele korte, oneliner-achtige gedichten. Poëmen die niet rijmen, die niet meteen de muzikale ondertoon van de rest hebben, zeg maar. Die kortere gedichten fungeren een beetje als een soort bindtekst. Als je op een podium staat en je vlamt het ene gedicht na het andere de zaal in, dan moet je af en toe wat gas terugnemen en zorgen voor wat reliëf, een paar rustpunten. Die heb ik dus tevens in de bundel ingelast. Maar de andere – de echt goede gedichten, zoals ik die dan zelf noem – die zijn in de loop van de jaren ontstaan. En ja, ik ben in de eerste plaats een romanschrijver. In tegenstelling tot andere dichters – of misschien moet ik zeggen échte dichters, neen, ik zeg toch ándere dichters-, ben ik iemand die de romanvorm het hoogste literaire genre vindt. Ik vind de roman superieur aan de poëzie omdat de roman veel omvattender is. Je kan er nu eenmaal veel meer in kwijt. En stilistisch gesproken kan je meer gaan variëren. Ik bedoel, je kan heel poëtisch schrijven in een roman, maar bij gedichten zijn de mogelijkheden beperkter. Je speelt als het ware op een kleiner terrein. Dit gezegd zijnde, iedereen die eerlijk is zal het beamen: het is moeilijker om een goede roman dan een goed gedicht te schrijven. Al was het maar omdat je meer stamina nodig hebt voor een roman, omdat je gedurende langere tijd je concentratie op peil moet houden. Je zou de theorie kunnen huldigen dat iedereen een goed gedicht in zich heeft, maar een echt goede roman schrijven is toch een ander paar mouwen. Met andere woorden, een geslaagd gedicht kan een toevalstreffer zijn, maar een meesterlijke roman is dat nooit.

Een goed gedicht dringt zich op aan de dichter?

Ja, mij overkómt poëzie. Als schrijver beleef ik momenten van inspiratie – om het zo maar eens te noemen – waarin een bepaalde vorm van enthousiasme zich aanbiedt. Het is een soort van euforische drang of schier onbeteugelbare drift die ik niet wil of kan benutten in een prozaïsche context. Op dergelijke momenten neem ik mijn toevlucht tot de poëzie, die mij dan van pas komt en mij de mogelijkheid biedt om dingen te gaan formuleren waarvoor het proza mij niet helemaal toereikend lijkt. Eigenlijk kan je zeggen dat poëzie voor mij een seksueel genre is. In die zin dat het mij de mogelijkheid biedt om te schrijven op de manier van een rock-‘n-roll-artiest die op het podium staat. Zelf beschouw ik mijn gedichten als een soort van gestileerde oerkreet, een gebalde schreeuw van lust en seksualiteit. Levenslust, ook.

Ik begrijp u volkomen: ik hoorde u namelijk eens in de trein van Gent naar Lokeren op Gedichtendag in 2010. De onaanwijsbare energie waarover u spreekt, zette in korte tijd de hele wagon in vuur en vlam…  

Ja, dat herinner ik me nog goed (nieuwsrubriek is nog steeds te zien op deredactie.be, LDM): ik las toen het gedicht ‘Buiten zinnen’ voor, dat ook voorkomt in de bundeling waarover wij het nu hebben. Er werd mij gevraagd of ik een gedicht kon brengen rond het thema ‘grenzen’. Als ik zeg dat een gedicht een energieke lading heeft van lust en drang, dan vertaalt zich dat natuurlijk ook in mijn voordracht. In die mate zelf dat de lezers een soort van grens oversteken zodra ze mij een keer hebben horen voorlezen. Ja, ik heb al meer dan eens gehoord dat lezers mijn gedichten anders ervoeren nadat ze mij aan het werk zagen en hoorden.

Er wordt wel eens gepalaverd over de 2 soorten dichters die zouden bestaan: de hermetische kluizenaar die zich opsluit in zijn ivoren toren en de performer die een zo breed mogelijk publiek wil bereiken.

Ik kan alleen maar vaststellen hoe ik zelf mijn gedichten voorlees. Voor mij is dat hoe dan ook geen bewuste keuze. Zodra je bewuste keuzes gaat maken over hoe je op een podium zal staan of hoe je poëzie aan de man dient te brengen, vind ik het al veel minder interessant worden. Daarom ben ik altijd wel een fan geweest van Tom Lanoye als dichter, maar tegelijk ook een beetje niet helemaal, als u begrijpt wat ik bedoel. Net omdat wat hij deed – en doet – heel sterk grenst aan theater. En ik vind theater nu juist het tegenovergestelde van rock-‘n-roll. Mocht je Lanoye volgen op een tournee en hij leest elke avond vier gedichten voor, dan durf ik te veronderstellen dat het vier keer heel gelijkaardig zal zijn. Bij mij is dat enigszins anders. Ik regisseer mijzelf niet. Ik zie wel wat er gebeurt en hoe die teksten er dan uitkomen. Ik beschouw mijzelf zeker niet als een typische performer.

Een performer wil het publiek behagen, op handen gedragen worden door zijn toehoorders…

Het is verre van mijn grootste bekommernis om het publiek te behagen. U kan dat nu niet controleren, dus ik kan zeggen wat ik wil, maar toch, als ik een gedicht geschreven heb en ik lees dat voor aan mezelf, om te horen hoe het klinkt, of het metrum juist zit en zo, dan doe ik dat op ongeveer dezelfde wijze, met evenveel geestdrift en even welgemeend, als wanneer ik voor duizend man zou staan. Dat is één ding. Ten tweede, is het welslagen van een performance of de mate waarin iemand een performer is, zeker niet gelijk te stellen aan het aantal grote gebaren die hij of zij maakt, of aan het volume van zijn of haar stem. In die zin geef ik graag het voorbeeld van Erwin Mortier, die toch eerder een klassieke, stamelende, allesbehalve luidruchtige manier van voorlezen heeft, maar die ik wel reken tot een van de grootste voorlezers uit eigen werk die ons taalgebied kent. Als Erwin Mortier plaats neemt voor een microfoon en er zijn zesduizend mensen aan het keuvelen, nog snel iets aan het bestellen aan de toog en zo, wel, dan is na 3 regels iedereen stil en aandachtig en kan je er donder op zeggen dat het voltallige publiek beaat luistert naar wat de dichter op zachte toon met de wereld deelt. Dat is ook een vorm van performen. Overigens, wat Mortier zo een goede performer maakt, is dat hij geen rol speelt. Het is geen truukje. Hij is gewoon zichzelf én zijn teksten zijn kwalitatief hoogstaand. Een goede performance staat of valt met de kwaliteit van de teksten, natuurlijk.

Het blijft een moeilijke tweedeling: de podiumdichters en de eerder verstilde poëten…

Wie dat ook moge zijn, die verstilde poëten! Want neem nu collega’s als Erwin Mortier of Leonard Nolens, twee prototypische ‘verstilden’: toen ik in 2013 meedeed aan Saint-Amour bijvoorbeeld  waren zij er ook bij, hoor. Een betere opdeling zou kunnen zijn: enerzijds de dichters voor wie poëzie een soort mystiek literair genre is en anderzijds, alle andere dichters (lacht). Die mystici zijn van mening dat de dichter op zoek moet gaan naar de formulering van het onverwoordbare. Of dat de poëzie op zichzelf moet terugplooien, dat het gedicht altijd een zelfreflectie op de taal van het gedicht moet inhouden. Dat soort dichters schrijft andere poëzie dan ik, voor alle duidelijkheid. In vergelijking zijn mijn gedichten uitermate oppervlakkig en zou je die zelfs kunnen aanduiden als ‘entertainment’ of zoiets. Maar ik voeg daar toch graag in één adem aan toe dat ik dergelijke – dus mijn – poëzie zeker niet minderwaardig vind. Allesbehalve! De mystieke poëzie heeft misschien veel hogere ambities, net omdat ze reikt naar het hogere of het diepere, maar slaagt er in mijn ogen heel zelden in om dat hogere of diepere ook effectief te bereiken. Dat is poëzie die zijn eigen mislukking als het ware in zich draagt. Ik vind het belangwekkender als schrijver én als lezer om je neer te leggen bij de mogelijkheden die de taal je biedt, met alle beperkingen van dien.

Veel van uw gedichten hebben een klassieke vorm, rijmen en hebben een verhalend aspect. Het zijn bijna songteksten.  

Mijn gedichten zijn verre van hermetisch te noemen, zoveel is zeker (lacht). Uw vergelijking met songteksten is terecht, want ik omschrijf mijn gedichten wel eens als ‘a capella te brengen lyrics’ en mijn gedichten zijn veel meer geïnspireerd door songteksten dan door poëzie. Vroeger waren dat de songs van Bob Dylan, maar nu luister ik al jaren naar countrymuziek, onder meer naar de grote Hank Williams, de Hillbilly Shakespeare… Let wel, ik beschouw mijn gedichten niet als songteksten, want dat zijn ze niet. Ze staan niet op muziek, hoewel mensen dat wel eens voorgesteld hebben. Maar ze behoeven geen muzikale ondersteuning, vind ik: het is de bedoeling dat ze zélf muziek zijn, als het ware. Geen songs, maar songteksten, zeg maar. Wanneer je geïnspireerd bent door iets, dan beïnvloedt dat natuurlijk je eigen werk. In mijn geval is dat countrymuziek. Dan kom je automatisch uit bij rijm, klassieke cadansen en metrische schema’s. Maar ook het narratieve is sterk aanwezig, de countrymuziek bulkt van de ballades. Mijn gedichten gaan niet op zoek naar wat er zich achter de schermen van de taal afspeelt. Mijn poëzie richt zich echt wel op de wereld. Of in elk geval op míjn wereld. Ik ben als schrijver in de eerste plaats een stilist: ik beschouw mijzelf als iemand die vorm geeft. Zowel op het niveau van de volzin of de regel, als wat de compositie en de klank betreft. Mijn ideale lezer hoort mijn gedichten resoneren in zijn of haar binnenoor! Poëzie lezen is kijken én horen. Proza en poëzie hebben andere wetten, natuurlijk, maar als puntje bij paaltje komt, schelen ze toch niet heel erg veel van elkaar. De stijl staat steeds voorop en het is vaak die stijl die de inhoud met zich meebrengt. Neem nu een gedicht als ‘Religieus gedicht’. Dat is een gedicht dat zich aan mij presenteerde in de vorm van een regel, zonder dat ik het schrijven van verzen in de zin had. Ik liep over straat en dacht of hoorde iets of iemand mij zeggen: ‘Het viel niet te ontkennen, zei je, dat een man als ik / Goed stond met een geile, strak op jou gerichte blik’. Zodra je iets hebt, ben je vertrokken en dan kan het snel gaan. En voor je het weet is het einde bereikt.


Verschenen in: STAALKAART #33, 2016

Dit is geen slaapkamer meer nu van Christophe Vekeman, De Arbeiderspers 2016, ISBN 9789029505161, 108 pp.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s