‘De melancholie van het verzet’: een grandioze roman van de  Hongaarse meester László Krasznahorkai

tumblr_inline_pehju2uAYc1s0xvfa_540

Na Satanstango in 2012 brengt de Wereldbibliotheek nu een tweede roman van de Hongaar László Krasznahorkai op de markt. Ook in De melancholie van het verzet ontleedt en herschikt Krasznahorkai de wereld tot een nieuwe werkelijkheid die onze kijk op de gebruikelijke orde van de dingen – de orde tussen goed en kwaad, zeg maar – danig ondersteboven haalt en ontregelt. Het kaliber van deze veeleisende mastodont van een roman is evenwaardig duister en bevreemdend als dreigend en ingenieus.

László Krasznahorkai

Toen Krasznahorkai eind 2015 de Man Booker Prize voor zijn hele oeuvre in de wacht sleepte, was hij voor velen nog een nobele onbekende. Nochtans debuteerde de mediaschuwe Hongaar ruim dertig jaar terug met het succesvolle Satanstango, werden meerdere van zijn boeken met veel kritische bijval verfilmd door landgenoot en trouwe kunstbroeder Béla Tarr (waaronder ook De melancholie van het verzet onder de titel Werckmeister harmóniák) en kan hij rekenen op de onvoorwaardelijke bewondering van een handvol invloedrijke literaire grootheden. Zo noemde Susan Sontag hem “een meester van de Apocalyps” en  bombardeerde W.G. Sebald hem tot de “Gogol van het hedendaagse schrijven”. Misschien heeft zijn voor niet-Hongaren moeilijk uit te spreken (én te onthouden) familienaam bijgedragen tot zijn beperkte roem en bekendheid? Hoewel, ook daar valt Krasznahorkai niets te verwijten. Op zijn typerende, droogkomische manier licht hij op zijn website de correcte fonetische uitspraak van zijn naam in een tiental talen toe.

Krasznahorkai is mee met zijn tijd: zijn uitgebreid curriculum staat gewoon op zijn site. Hij werd op 5 januari 1954 geboren in Gyula, een stadje in het zuidoosten van Hongarije op 4 kilometer van de Roemeense grens. Zijn vader was een advocaat, zijn moeder werkte als bediende in de sociale zekerheid. Een decennium lang, tussen 1973 en 1983, wijdde hij zich aan hogere studies. Eerst volmaakte hij een rechtenstudie, om nadien te promoveren in de Hongaarse taal- en letterkunde op een eindwerk over Sándor Márai. Hij bekostigde zijn studies door te werken als ‘documentalist’ bij de onafhankelijke uitgeverij Gondolat en verbaasde in 1985 de Hongaarse literaire wereld door als uit het niets op te duiken met Satanstango, een virulente dystopische roman waarin hij communistisch Hongarije te kijk zet. Zijn naam in eigen land was meteen gevestigd en tot op vandaag blijft het zijn bekendste roman, mede dankzij Tarrs verbluffende bijna acht uur durende verfilming uit 1994. Tussen 1987 en 1989 verblijft Krasznahorkai met een studiebeurs in Berlijn. Nadien start een lange periode van reizen en rondtrekken: hij verblijft langdurig in China, Mongolië en Japan, reist mee op de langevaart, hangt de bohémien uit in Europese steden als Wenen en Berlijn, maar ook in de VS, waar hij naar verluidt goede vriendjes werd met Patti Smith, David Byrne en Philip Glass én tijdelijk gehuisvest werd door beat koning Allen Ginsberg. Sinds enkele jaren leeft hij een teruggetrokken bestaan in een onooglijk dorpje van nog geen duizend inwoners in het noorden van Hongarije, Szentlászló, waar alle geruchten als zou hij de volgende Nobelprijskandidaat zijn hem duchtig worst wezen.

Inmiddels bouwt Krasznahorkai onverstoorbaar verder  aan een uniek oeuvre. Hij is geen veelschrijver, maar eerder van het ambachtelijke, eindeloos bijschavende type: op 31 jaar tijd publiceerde hij ‘slechts’ 8 romans en schreef een handvol kortverhalen, scripts en essays. Gezien zijn intense, massieve en compromisloze stijl mag dat geen wonder heten. Zijn romans kenmerken zich immers door een minimale plot en lang uitgesponnen sierlijke zinnen met een afgemeten interpunctie en een geringe aliniëring. In Satanstango bijvoorbeeld bestaat elk hoofdstuk uit één enkele paragraaf en in 2009 stuntte hij met het kortverhaal ‘El último lobo’, dat bestaat uit één zin van achtentwintig pagina’s. Zijn Engelse vertaler George Szirtes spreekt van een “trage narratieve lavastroom, een zwarte uitgestrekte letterrivier.” In De melancholie van het verzet – Krasznahorkais tweede roman, verschenen in 1989 – is dat niet anders.

De melancholie van het verzet

De plot van De melancholie van het verzet is moeiteloos samen te vatten in één zin: in een kille novembermaand zet een merkwaardig circus met als enige attractie het opgevulde karkas van een walvis zijn tenten op in een niet nader bepaalde kleine Hongaarse stad en veroorzaakt hierdoor bij de bewoners een grote onrust, die culmineert in een catastrofale uitbarsting van geweld en opstand. Het fenomenale openingshoofdstuk is onvergetelijk, Dostojevskiaans gezien de start in een overvolle trein die door de Hongaarse poesta raast. We beleven die helse rit vanuit het perspectief van de kleinburgerlijke mevrouw Plauf, die doodsangsten uitstaat wanneer een haveloze dronkaard haar onschuldige beweging om haar beha recht te trekken misinterpreteert en haar lastig begint te vallen. Wanneer ze uiteindelijk heelhuids in het stadje aankomt, valt op weg naar huis plots overal de stroom uit en botst ze op een groepje mannen dat amok maakt. Ondertussen paradeert het circus met de walvis op een verlichte praalwagen als een soort Trojaans paard doorheen de donkere straten. De sfeer is onheilspellend, er hangt een enorme dreiging in de lucht. Het kleine opstootje waarvan mevrouw Plauf getuige is, blijkt al snel een voorbode, het omineuze begin van een totale ontketening: onder leiding van de Zarathoestra-achtige doemprofeet De Prins zaait een zootje ongeregeld verderf en dompelt het stadje in een storm van geweld en terreur.

In de zes middelste hoofdstukken staan alternerend de andere 3 hoofdpersonages centraal: Valushka, en het koppel meneer en mevrouw Eszter. Valushka, de dromerige zoon van mevrouw Plauf, is niet alleen de brievendrager van het stadje, maar ook het manusje-van-alles van meneer Eszter. Hij wordt aanzien als de mallotige dorpsidioot die op wolken leeft. De vaste klanten in de kroeg entertaint hij met zijn knotsgekke uitbeelding van de beweging van de planeten. Meneer Eszter is de directeur op vervroegde rust van de muziekacademie: sinds zijn mislukt onderzoek over het aantal tonen in een octaaf nodig om tot een zuivere harmonie te komen, zondert hij zich af van de buitenwereld en leeft hij in onmin met zijn echtgenote. Zijn enige toeverlaat en steun is Valushka, met wie hij voortdurend filosofische discussies heeft. De zwaarlijvige, machiavellistische mevrouw Eszter is de gepersonifieerde ‘wil tot macht’: ze maakt misbruik van het oproer en ziet haar kans schoon om het bewind van de gemeenteraad over te nemen. Dat ze de lakens deelt met het hoofd van de politie en later met de kolonel van het leger die de opstand moet stoppen, speelt hierbij in haar voordeel.

De melancholie van het verzet omvat een bont allegaartje van genres: het is een onheilspellende allegorie (de walvis, De Prins) en een politiek pamflet (de risico’s van de revolutie), maar ook een duistere ideeënroman (Eszter) en een metafysische parabel (Valushka). Aan de hand van wonderlijk beklijvende streams of consciousness kruipt Krasznahorkai in het hoofd van zijn personages en bouwt een uitgekiend spectrum van sterk uiteenlopende visies en wereldbeelden, handelingen en gebeurtenissen op. Mevrouw Plauf ondergaat, Valushka droomt, meneer Eszter rationaliseert, terwijl zijn echtgenote domineert. Met negen hoofdstukken van rond de veertig bladzijden, lange  meanderende zinnen vaak aangedikt met barokke grootsprakerigheid en een opvallende afkeer voor  paragrafen biedt de lectuur van De melancholie van het verzet de lezer weinig ademruimte. Bovendien speelt Krasznahorkai in enkele quasi surrealistische passages op meesterlijke wijze met het postmoderne principe van de redundantie: het uitvoerige en hilarische stuk waarin Eszter leert hoe hij een hamer moet gebruiken bijvoorbeeld of de laatste vijf pagina’s van het boek die op een wetenschappelijk-afstandelijke manier de ontbinding van het lijk van Plauf beschrijven. Deze fragmenten wisselt Krasznahorkai af met aangrijpende monologues intérieurs, spannende scènes vol actie (het inleidend hoofdstuk, de beschrijving van de revolutie) en filosofische uitweidingen (Eszters harmoniestudies). Maar, dé grote kracht van deze roman zit in de zinsbouw, de rijkdom van de taal. Zelden zal u nog zulke uitgebreide, veelzeggende en perfect geciseleerde zinnen lezen. De grootste lof dus voor de vlotte en natuurlijke vertaling van Mari Alföldy, die er na Satanstango, opnieuw met glans in slaagt om de uitzonderlijke energie en vitaliteit van Krasznahorkais taal over te brengen naar het Nederlands, zonder aan kracht of vitaliteit ten aanzien van het origineel te moeten inboeten.

De melancholie van het verzet is een overdonderende roman, een weergaloos boek van een van Europa’s grootste schrijvers. Laat ons collectief hopen dat de Wereldbibliotheek nog meer werk van deze sublieme melancholicus aan zijn fondslijst toevoegt.


Verschenen in: STAALKAART #35, 2016

De melancholie van het verzet van László Krasznahorkai, Wereldbibliotheek 2016, vert. door Mari Alföldy, ISBN  9789028426702, 416 pp.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s