‘Al mijn kappers’ van Willem van Zadelhoff: toespraak bij de boekvoorstelling in CronopiO (23 januari 2020)

25092-1Willem is een literaire laatbloeier. In 2003 debuteerde hij met zijn bejubelde roman EEN STOEL. Dat hij toen al 45 was, is een verwaarloosbaar feit waar hij desalniettemin regelmatig over wordt aangesproken. Zo ook door mijzelf, toen ik hem ongeveer tien jaar geleden interviewde naar aanleiding van het verschijnen van een andere roman GA NIET WEG. Toen ik hem vroeg waarom hij zolang had gewacht met publiceren begon hij te rommelen in een lage buffetkast. Hij toverde een dun boekje tevoorschijn, ‘Kruispunt-Sumier nr. 47’. ‘Dit is mijn echte debuut. Mijn gedicht ‘Want’ werd er gepubliceerd in 1973. Ik was toen 14.’, zei hij kordaat.

Tot zijn grote vreugde ontdekte hij, een week voor zijn eerste dichtbundel TIJD EN LANDEN bij Meulenhoff Manteau uitkwam in 2008, dat dit gedicht 25 jaar later opduikt in een analyse van de weerslag van de Tweede Wereldoorlog op het literaire leven in België, een academische studie uit 1998 waarin het bewuste gedicht ‘Want’ geciteerd wordt als een felle kritiek op de westerse samenleving. Het gedicht ‘Want’ is Willem altijd dierbaar gebleven. Hij ziet het nog steeds als een vertrekpunt en schreef erover op z’n blog: ‘Want’ is ontstaan vanuit een beeld. Mijn gedichten ontstaan nog steeds vanuit beelden. Alleen begreep ik toen nog niet dat je niet op die beelden hoeft te wachten. Je kunt ze oproepen.

Dat deed hij, met succes, want voor TIJD EN LANDEN kreeg Willem meer dan terecht de Herman De Coninckprijs voor het beste debuut, hoewel dit zoals we inmiddels weten niet zijn échte poëziedebuut was. In 2014 volgde HET EI VAN FABERGÉ bij Voetnoot. En nu ligt in 2020 AL MIJN KAPPERS in de winkels. Wie de rekensom wil maken, komt dus uit op cycli van ongeveer zes jaar. Dat lijkt een ernstige oplenging van de poëtische tijd, maar is wel twaalf en een half keer sneller dan de omlooptijd van Halley’s komeet. Alles is relatief, zeker poëzie.  De tijd verglijdt, maar Willem schrijft rustig verder, gelukkig maar.

Vorig jaar op een vernissage liep ik Willem tegen het lijf. Hij vertelde me met pretoogjes dat er maar liefst twee nieuwe boeken op de plank lagen. Een daarvan is vorig jaar verschenen bij Polis, de roman EEN GRAF IN DE WOLKEN, waarin hij de saga van de familie Kats uit EEN STOEL, HOLLE HAVEN en GA NIET WEG verder uitspint. Het andere boek stellen we vanavond voor. Toen Willem me zei dat de werktitel van zijn dichtbundel AL MIJN KAPPERS was en gedeeltelijk ging over de kapsalons die hij in de loop der jaren had bezocht, was ik meteen geïntrigeerd. Niet alleen omdat ik zelf nu toch al geruime tijd op zoek ben naar een goede kapper, maar ook omdat kappers in de literatuur zo zeldzaam zijn, ik denk bijvoorbeeld aan Nabokovs Het scheermes, Hilsenraths De Nazi en de kapper of de Figaro-figuur bij Beaumarchais.

Maar goed, Willem heeft sinds zijn debuut — u mag kiezen het welke — overduidelijk zijn dichtersstem gevonden. Zijn taal is origineel, krachtig en bondig, zoals in zijn romans, vol dansende klanken, vloeiende enjambementen en beklijvende beelden. Een aantal elementen komen in alle bundels terug. Literaire referenties bijvoorbeeld, speelse verwijzingen naar of parafrases van bewonderde teksten. Zo refereert Willem in TIJD EN LANDEN aan Ponge, Bernhard, Rimbaud, Shakespeare en de Vlaamse Shakespeare Jan Decorte, met wie Willem een theaterverleden heeft. Of meer recent du Perron die komt spoken in het gedicht ‘Wim Brands’ in AL MIJN KAPPERS.

Ook humor is steeds van de partij. Geen lachen, gieren, brullen — het blijft tenslotte poëzie — maar subtiele knipoogjes of rad geformuleerde zinswendingen die een omzichtig lachje of een instemmend gemonkel ontlokken.

Maar het belangrijkste thema in Willems werk, zowel in zijn proza als in zijn poëzie, is het verleden, of beter gezegd de kneedbaarheid van het verleden: ‘ik trakteer mezelf op verleden ik beuk de waarheid / op papier’ klinkt het in HET EI VAN FABERGÉ. Het prachtig motto van Gerrit Kouwenaar, dat AL MIJN KAPPERS opent, ligt in dezelfde lijn en waarschuwt de lezers voor het ongrijpbare van de tijd en het verleden: ‘vandaag hoort de woorden de stilte bezweren / alsof de tijd ooit te stillen was’.

Er zijn in totaal 9 cycli in AL MIJN KAPPERS, ik ga er even in vogelvlucht door.

Dat herinnering, zich herinneren, vergeten, moedwillig het verleden oproepen of kneden opnieuw een belangrijk thema is blijkt al meteen uit de openingscyclus, ‘Al mijn kappers’, die zijn titel dus ook aan de hele bundel geeft. Hier mijmert de dichter in korte vignettes over de kappers die hem ooit onder handen namen. In het eerste gedicht is hij nog een jongen die wegdroomt terwijl de kapper met de tondeuse nadert. Een andere kapper houdt nering in Arnhem en maakte vroeger deel uit van de Olympische waterpoloploeg. Nu voert hij de schaar ‘in lichtblauw kapperskatoen / zich verbijtend in een buitenwijk / de gekooide man / die nooit zou wennen aan een droog bestaan.’

Er komen verder nog kappers uit Amsterdam en Antwerpen aan bod, steden waar Willem heeft gewoond en gewerkt. In het slotgedicht van de cyclus vinden we een kapper in de Via della Rimembranza in het Italiaanse Levanto, een kapsalon dat niet toevallig gelegen is aan ‘de weg van de herinnering’, een soort Memory Lane waar het vergeten regeert: ‘en ook hijzelf ontkwam niet aan de tijd / de vrouw die er later haar kruiden verkocht / kon zich met moeite zijn naam herinneren’.

Ook de tweede cyclus, ‘Plantaardig leven’, handelt over een verleden dat weigert te verglijden, het is een mooie reeks korte liefdesgedichten over een dromerige, zich vegetaal eindeloos vertakkende liefde. In ‘Hysterische liefde’, de derde cyclus, wordt het geheugen van een gekwetste minnaar getriggerd door een vaas gele chrysanten, de bloemen van de rouw. Tussendoor verwerkt Willem een mooie verwijzing naar Joyce’s Ulysses: ‘ het trillen / van een neusvleugel op st. patrick’s day / tijdens een bezoek aan dublin waar hij / naartoe was gegaan om de liffey te horen stromen / omdat hij dacht dat hij dan het boek niet hoefde te lezen / dat het geluid van de rivier toereikend zou zijn’. Vermeldde ik al dat Willem verjaart op dezelfde dag als Joyce en ikzelf?

In cyclus 4, ‘De meisjes uit de Diamantstraat’, heeft Willem een gedicht dat hij in 2014 op z’n blog plaatste in vier delen opgesplitst. Hier bewijst hij zijn talent voor ontwapenende ironie.

De volgende cyclus heeft een opmerkelijke titel: ‘Chopin in de aspergevelden’. Het is een schitterende gedichtenreeks over de betovering van muziek, ook in helse omstandigheden, zoals in Auschwitz. Willem liet zich inspireren door een verbazend fait divers. In Polen werd namelijk een paar jaar terug een portret van Chopin gevonden. Het werk had ooit in een zaal van Auschwitz gehangen, daar waar het orkest repeteerde, en was gemaakt door de Poolse gevangene Mieczyslaw Koscielniak, een kunstenaar die tijdens zijn gevangenschap enkele honderden werken maakte, waarop hij het dagelijkse leven in het kamp uitbeeldde. De Duitsers gaven hem echter de opdracht om Duitse componisten af te beelden. Wat hij deed, maar op een of andere manier slaagde hij erin om een portret van zijn landgenoot Chopin aan de reeks toe te voegen.

In de verhalende cyclus ‘Negen gedichten voor een kleine vrouw’ roept Willem in korte strofen een ijzingwekkende sfeer van moord en wraak op en in de cyclus ‘Bij 7 tekeningen van een ontlopen vriend’ brengt Willem hulde aan kunstenaar Vince van Geffen, aan wie hij in TIJD EN LANDEN al het gedicht ‘Murcia’ had opgedragen. Het is een pakkend requiem van een verloren vriendschap: ‘dat noemde je verbeelding / gedachtes tussen twee lijnen’.

In de voorlaatste cyclus, ‘Zonder aanzien des persoons’, neemt de dichter afscheid van ontslapen vrienden en familie, dierbaren die verdwenen ‘in een mist van tijd’. Ontwerpster Wilma Sommers, vriend Peter Theuwkens, dichters Wim Brands en Menno Wigman en Willems vroegere leraar Nederlands Jan Elemans, die hem leerde krachtige, bondige zinnen te schrijven en hem in de woelige wateren van de letteren dreef. De cyclus sluit af met een memoriaal gedicht over Willems vader en een envoi.

De laatste cyclus, ‘Uit de tijd’, is dan weer geheel en al gewijd aan de vader, ‘die oploste in het late licht / van deze genachte dag van ritselend blad’. Dit drieluik is ongetwijfeld een van de meest aangrijpende vadergedichten uit de Nederlandstalige letterkunde, zo meteen wordt het hier nog voorgedragen.

U hoort het, AL MIJN KAPPERS gaat over zo veel meer dan mise en plis, scheerbeurten of hoofdmassages. Na het bewuste interview waar ik deze inleiding mee startte, vroeg ik Willem of hij TIJD EN LANDEN wilde signeren. Hij schreef boven zijn handtekening: ‘vandaag ben ik de rozenverkoper’. Dat is de openingsregel van zijn gedicht ‘Zelfportret als Tamil’ en een directe verwijzing naar de bloemenverkoper in Ga niet weg, een middenstander gebaseerd op Willems grootvader die een bloemenkiosk had in Amsterdam, op net dezelfde plek zoals beschreven in de roman en in het vervolg, EEN GRAF IN DE WOLKEN. ‘Ik zing mijn rozeverkoperslied / terwijl ik haar blikveld binnenschuifel’ gaat het verder. Met AL MIJN KAPPERS heeft Willem een weergaloos rozenverkoperslied gezongen en schuifelt hij achteloos verhalen vertellend, weemoedig fluitend en uiteraard, zoals steeds, bijzonder keurig gekapt ons poëtisch gemoed binnen.

Lees dus deze bundel, en ja, desnoods bij de kapper.


Uitgesproken bij de boekvoorstelling in boekhandel CronopiO (Antwerpen) op 23 januari 2020. 

Al mijn kappers van Willem van Zadelhoff, Polis 2020, ISBN 9789463104678, 80 pp.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s