‘Schuilplaats voor andere tijden’ van Georgi Gospodinov: het einde van de menselijke tijd

In Schuilplaats voor andere tijden, de derde roman van het Bulgaarse literair fenomeen Georgi Gospodinov, ontmoet een schrijvende ik-verteller de ‘psychiater-gerontoloog’ Gaustin, ‘een zwerver, maar dan in de tijd’ en het brein achter een ‘kliniek voor het verleden’, die dementerende patiënten in staat stelt om terug te gaan in de tijd en soelaas te vinden in wat ze zich nog herinneren. Gaustin is een personage dat in diverse hoedanigheden — als dertiende-eeuwse troubadour, als filosoof, als beste vriend van de verteller in De wetten van de melancholie, de bejubelde tweede roman van de succesauteur, en nu dus ook als psychiater — door Gospodinovs oeuvre heen waart en voor het eerst opduikt in een epigraaf bij een gedicht, zo blijkt uit een onderhoudend interview. Nadien werd Gaustin een soort multi-inzetbaar kapstokpersonage, een elckerlyk, niemand en iedereen.

Schuilplaats voor andere tijden opent met maar liefst elf motto’s — of epigrafen, zo u wil. Eén citaat komt uit dat andere grote geheugenboek, Thomas Manns De toverberg, maar er is ook een Bijbelse quote, een uitspraak van het duo John Lennon / Paul McCartney en twee verzen van respectievelijk Philip Larkin en T.S. Eliot. De andere vijf motto’s zijn van de hand van de immer ongrijpbare Gaustin (bij een van de vijf is de bron overigens dubieus want er staat: ‘Gaustin/Shakespeare’), terwijl het laatste een fragment is uit een gedicht over een ‘verstopplaats’, ondertekend met Gospodinovs initialen, G.G. Een absolute meerwaarde zijn de vanaf de titelpagina tot het einde hier en daar frivool opduikende, kleine geschilderde figuurtjes uit de reeks Paintings from long ago van Nedko Solakov, vriend en landgenoot van Gospodinov, die voor de volledigheid verschillende teksten schreef over/voor de bekende kunstenaar en zelfs meewerkte aan een monografie.   

Schuilplaats voor andere tijden is net als De wetten van de melancholie in een vlotlezend, hedendaags Nederlands vertaald door Hellen Kooijman (die achterin bij ‘Opmerkingen van de auteur’ trouwens bedankt wordt voor haar bijdragen in het voorafgaand onderzoek). Beide romans hebben naast de vertaalster nog heel wat andere parallellen of gemeenschappelijke punten: ze hebben ongeveer dezelfde omvang, zijn ingedeeld in korte hoofdstukken, hebben een obsessie met geschiedenis, de tijd en het verleden, bieden een uitwaaierende baaierd aan verhalen-in-verhalen, deinzen niet terug voor postmoderne literaire spelletjes, verwijzen gretig naar de klassieke oudheid, de wereldliteratuur en de filosofie, hebben veelvormige illustraties én delen — tot slot en zoals gezegd — het personage Gaustin.

Ingetogen en plechtig

Schuilplaats voor andere tijden heeft vijf delen. De titelpagina van elk deel wordt telkens gevolgd door een citaat, afkomstig van ofwel de verteller ofwel een andere auteur (onder anderen tijdsfetisjisten als Thomas Mann en Jorge Luis Borges, maar ook de onvermijdelijke Gaustin). Het citaat dat volgt na de titelpagina van het eerste deel maakt meteen duidelijk wat hét thema zal zijn en stelt onomwonden: ‘En dus is het thema het geheugen. Het tempo: van andante naar andante moderato, sostenuto (ingetogen).’ De start, zo waarschuwt de verteller, kan niet anders zijn dan ‘ingetogen en plechtig, zoals het een begin betaamt’, maar eenmaal de opmaat is genomen ‘mag – en moet – alles uit elkaar vallen’. Laat dat nu exact zijn wat er in de volgende delen traag maar zeker staat te gebeuren.

De ik-verteller is —hoe kan het anders in een roman doordrongen van postmoderne speelsheid —een Bulgaarse schrijver, op verraderlijk veel vlakken een alter ego van Gospidonov zélf (‘Mijn vaders voornaam was Gospodin, wat ‘Mijn Heer’ betekent in het Bulgaars, en zijn achternaam ‘Gospodinov’, dus zoiets als Van Mijn Heer.’; elders in de roman noemt hij zichzelf sarrend ‘Gaustinov’). In het eerste deel maakt hij ergens in de jaren tachtig van de vorige eeuw kennis met Gaustin, tijdens ‘zo’n traditioneel literair seminar aan de Zwarte Zee’. De schrijver laat in het midden of Gaustin nu echt bestaat in de literaire werkelijkheid of slechts een van zijn hersenspinsels is: ‘Gaustin, die ik eerst zelf had verzonnen, en die ik later in levenden lijve ontmoette. Of misschien was het andersom, ik weet het niet meer.’ Beide mannen hebben één obsessie: het verleden.

Gaustin lijkt in al zijn ondoorgrondelijkheid niet tot deze tijd te behoren: ‘Hij leek op iemand die zojuist met de trein aangekomen was vanuit een andere tijd, hij kon doorgaan voor een discrete anarchist, een ouder wordende hippie of een predikant uit een obscure religieuze denominatie.’ De charismatische Gaustin creëert tersluiks de illusie door de tijd heen te kunnen reizen en onsterfelijk te zijn. Een van zijn uitspraken knipoogt naar Marcel Duchamps epitaaf: ‘Is het niet vreemd, zei Gaustin ooit, altijd sterven de anderen, en wijzelf — nooit.’

Kliniek voor het verleden

In het eerste deel is Gaustin psychiater in Zürich, waar hij een ziekenhuis runt voor ‘al diegenen die enkel in het heden van hun verleden leven’, ‘patiënten met een verdwijnend geheugen, alzheimer, dementie, hoe je het ook noemt’. Een heuse ‘kliniek voor het verleden’, zoals hij de instelling zelf beschrijft. Het grasveld voor het ‘perzikkleurige gebouw’ is niet voor niets bezaaid met myosotis: ‘Is het eigenlijk geen grap dat je vergeet-mij-nietjes plant voor een gerontologisch-psychiatrisch centrum?’ De schrijver wordt mee in het verhaal betrokken en ze worden een soort van partners, hoewel die zakelijke relatie nooit duidelijk wordt omschreven.

Gaustins project start kleinschalig, met een aantal kamers op de bovenverdieping, waar de jaren zestig in geuren en kleuren, smaken en geluiden tot in de kleinste details worden herschapen. In die veilige omgeving herbeleven de bewoners de tijd die ze zich nog herinneren en hervinden zo als het ware deels hun geheugen: ‘Volgens Gaustin is het verleden voor ons een verleden waarvan we weten dat als we er binnengaan, de deur open blijft staan, zodat we gemakkelijk terug kunnen keren. Voor diegenen bij wie hun geheugen hen verlaten heeft, is deze deur voor altijd dicht.’

De bewoners hebben recht op ‘de herinnering aan geluk’, beweert de geriater. Het experiment om ‘beschermde tijd’ te creëren blijkt een succes, overtreft de stoutste verwachtingen van de vrienden en de kliniek breidt zich gestaag uit, met op elke etage een eigen tijdperk of decennium en met residenten die zich om uiteenlopende redenen in deze welbepaalde, minutieus gereconstrueerde tijd thuis en gelukkig voelen.

Binnen de kortste keren is het project het slachtoffer van zijn eigen succes. Een en ander begint uit de hand te lopen, zoals Gaustin had voorspeld: ‘En geloof me, op een dag, en die komt al snel, zullen veel mensen zelf beginnen af te dalen naar het verleden, ze zullen hun geheugen ‘verliezen’ uit vrije wil.’ Steeds meer mensen willen terug naar vroeger, het verlangen naar hun eigen geschiedenis groeit onstuitbaar. Het begint bij de familieleden van de eerste patiënten, maar al snel verspreidt ‘het virus van het verleden’ zich wereldwijd, inclusief snel muterende varianten: ‘Ja, het verleden is besmettelijk.’ De klinieken fungeren als ‘schuilkelders voor het verleden’, zo stelt Gaustin, ‘Of misschien beter gezegd: schuilplaatsen voor andere tijden.’ Klinkt allemaal bekend in de oren? Inderdaad, Gospodinov werkte Schuilplaats voor andere tijden af midden in de covidpandemie.

Verledenpandemie

‘En toen maakte het verleden zich op om de wereld te veroveren…’, zo begint het tweede deel van Schuilplaats voor andere tijden. De verledenpandemie neemt het dagelijks leven over: de melkboer brengt opnieuw glazen flessen, The New Yorker herdrukt oude uitgaves, de Duitse geheime dienst gebruikt weer niet te hacken typemachines en in de straten van Europa duiken steeds meer mensen in traditionele klederdracht op. Politici doen gretig mee: een vicepremier van een Zuid-Europees land spreekt zijn collega’s toe in een folkloristisch kostuum en enkele Europarlementariërs hullen zich in de mode van een ‘Duitse nieuwjaarsshow uit de jaren tachtig’. De werkelijkheid manifesteert zich stilaan als één langgerekte re-enactment.

Overal herleeft het verleden, breekt het door het heden heen: ‘Als een Europa van de toekomst niet meer mogelijk is, laten we dan een Europa van het verleden kiezen.’ Er moet worden ingegrepen, anarchie en chaos treden in. De ‘Grote Drie van de Europese Unie’ roepen Gaustins hulp in: ‘Hij kon een kliniek bouwen, een straat, een wijk, zelfs een klein dorp voor het verleden. Maar een heel land of zelfs continent terugplaatsen in een andere tijd, daar veranderde geneeskunde in politiek.’ Er wordt besloten tot een ‘referendum over het verleden’, waarbij elk land kan kiezen in welk tijdvak het wil leven. De verteller relativeert de ware toedracht van de ontwikkelingen en geeft een postmoderne sneer op het plan: ‘Dat was waar ze over zouden praten die avond. Of dat was wat ik zou uitvinden, terwijl ik buiten stond, in de entreehal, met mijn notitieblok.’

Het derde deel beschrijft op verfijnd ironische wijze hoe de ik-verteller in Bulgarije besluit om een week voor het referendum deel te nemen aan de grootschalige bijeenkomsten van de twee grote politieke bewegingen op dat moment, uiteraard in aangepaste kledij. Enerzijds kiest de nationalistische groep Onze Jongens resoluut voor de tijd van de mislukte Aprilopstand van 1876 tegen het Ottomaanse gezag, anderzijds is er SOTS, dat de periode van het socialisme aanhangt en terug wil invoeren.

Een hoogtepunt in de roman is Gospodinovs bij momenten hilarische beschrijving van hoe die breed opgezette re-enactment van de negentiende-eeuwse Aprilopstand compleet in het honderd loopt. De opgeblazen opvoering van een verheerlijkt verleden knipoogt overduidelijk naar de hyperrealiteit van filosoof Jean Baudrillard, een kolfje naar de hand van een rechtgeaard postmodernist als Gospodinov. In de gedetailleerde, licht spottende beschrijvingen van dagdagelijkse elementen uit de socialistische periode, toont Gospodinov zich dan weer een laconieke ervaringsdeskundige, een tegen wil en dank geprivilegieerde toeschouwer die de socialistische perikelen in het Bulgarije van weleer beleefde vanop de eerste rij. 

Dictatuur van het verleden

Maar na ‘de dictatuur van de toekomst’ komt ‘de dictatuur van het verleden’. Hoewel SOTS de nipte winnaar van het referendum is, gaan ze een coalitie aan met Onze Jongens. Bulgarije kiest niet voor een concreet decennium, zoals de andere Europese landen, maar voor een ‘ratjetoe of mixed plate’ met ‘een beetje socialisme’ en ‘een portie Bulgaarse renaissance’. Bovendien verlaat het land de Europese Unie en plooit op zichzelf terug. De verteller weet net op tijd te vluchten: ‘Het is prettig om je vaderland zo goed te kennen dat je het kunt verlaten voordat de geest uit de fles is.’

De verteller zoekt in het vierde deel dan maar zijn heil in een Zwitsers klooster, mét een goede wifiverbinding. Hij wil een tijd alleen zijn, de aantekeningen voor zijn boek in wording afwerken en in alle rust op het internet volgen wat er gebeurt in andere landen na het referendum: ‘Vroeg of laat veranderen alle utopieën in historische romans.’ Verbijsterd kijkt hij naar ‘de chaos in de Europese familie’ en reflecteert per land over specifieke historische, socio-filosofische en nationale details binnen het gekozen tijdperk. Na het bruisende derde deel valt de spanningsboog van Schuiplaats voor andere tijden hier toch wat in duigen. De betrekkelijk kleurloze en langdradige bedenkingen die de verteller afratelt zijn té duidelijk het resultaat van Gospodinovs onderzoek in The New York Public Library, waar hij in 2017-2018 negen maanden lang Cullman fellow was en voorbereidende aantekeningen maakte op basis van oude documenten, tijdschriften en kranten. De reflecties, vaak in de vorm van opsommingen, leveren uiteindelijk wel een vermakelijke, nieuwe kaart van Europa op, waarin elk land in een zelfgekozen tijd leeft.

Maar een en ander loopt nog maar eens fout. Landen kiezen voor eenzelfde decennium en vele burgers blijven vasthouden aan de tijd waarop ze zelf hebben gestemd. Verder, kiezen bijvoorbeeld bijna alle voormalige Oostbloklanden voor het jaar 1989 als het gewenste punt om naar terug te keren, terwijl Scandinavische landen geen voorkeur kunnen uitspreken omwille van een overaanbod aan gelukkige periodes. Zwitserland daarentegen gaat vanzelfsprekend voor ‘tijdelijke neutraliteit’.

Er ontstaan drie à vier grote ‘tijdenallianties’, waarbij de mogelijke vermenging van tijden strikt vermeden moet worden. Ook twee kampen zien het licht: ‘De zogeheten ‘diachronisten’ ijverden voor een herstart van de tijd en een natuurlijke ontwikkeling van de dingen na de eerste jaren van de gekozen tijdsperiode. Het kamp van de ‘synchronisten’ wilde met klem dat landen in het gekozen decennium konden blijven voor een langere periode.’ De chaos is totaal, de tijd lijkt stil te staan, een onbedwingbaar Verleden breekt uit. Of zoals de verteller het uitdrukt: de ‘Doos van Pandora met de geschenken uit het verleden’ is definitief geopend.

Het einde van de menselijke tijd

Net op dat moment verdwijnt Gaustin van het toneel. De verteller krijgt de leiding over diens kliniek en ontvangt een geheimzinnig geel schrift waarin zijn vriend zijn gedachten ordende. Is hij dood, vraagt de verteller zich af, maar verraadt in een verzuchting tegelijkertijd dat Gaustin en hijzelf één en dezelfde zijn: ‘Heel even dacht ik dat hij misschien besloten had een einde aan zijn leven te maken. Maar als ik levend was, hoe kon Gaustin dan dood zijn…’ Via een postkaart laat Gaustin weten dat hij zich terugtrekt, meer bepaald in het jaar 1939, een pivotaal jaartal dat meermaals opduikt in Schuilplaats voor andere tijden en sinds het begin van de roman benoemd wordt als ‘het einde van de menselijke tijd’. Zo citeert Gospodinov bijvoorbeeld een prangende dagboeknotitie van W.H. Auden, die schrijft over de inval in Polen door nazi-Duitsland op 1 september 1939.

In het slotdeel volgen nog enkele bevestigingen dat de verteller en Gaustin te herleiden zijn tot één en dezelfde persoon, met als zelf-reflexieve apotheose: ‘Met de jaren wordt het steeds moeilijker om te onderscheiden wie nu wie schrijft.’ De chaotische wereldgebeurtenissen verschuiven geleidelijk naar de achtergrond, terwijl de verteller steeds prominenter naar voren treedt. Meer en meer ontglipt hem de tijd, zijn geheugen begint hem parten te spelen, hij wordt ‘een vluchteling in de tijd’. Houvast vindt hij enkel nog in zijn notitieboekjes en tekeningen, het zijn levenslijnen die hem nog enigszins gaande houden.

Gaustin ontpopt zich uiteindelijk als de Nemesis van de verteller. Zo leest die laatste in het gele schrift van zijn verdwenen vriend: ‘Terwijl hij bezig is met het schrijven van een roman over degenen die hun geheugen hadden verloren, begint hij zelf zijn geheugen te verliezen… Hij haast zich om de roman te voltooien, voordat hij vergeten is wat hij aan het vertellen is.’ Het verhaal ontspoort, verbrokkelt: ‘Als eerste verdwenen er een aantal woorden.’ Fictie dringt de werkelijkheid binnen, personages versmelten tot één entiteit: ‘Maar als alles waarover ik schrijf echt gaat gebeuren, dan moet ik misschien vluchten in een andere persoon.’ De gehele roman, met alles erop en eraan, komt terecht in een kolkende spiraal. ‘Het waargebeurde, het gelezene en het zelfbedachte’ lopen pardoes in elkaar over. Wanneer de verteller zich omdraait, ziet hij enkel zijn toekomst.

Kromme tautologie

In een daverende epiloog veegt de verteller alles van tafel en plaatst zijn hele verhaal op losse schroeven: ‘En heeft dat hele gedoe met het verleden dat gaat komen nu al plaatsgevonden, of begint dat morgen…’ Hij (Gospodinov? Gaustinov? Gaustin?) bekent dat hij niet van eindes houdt, hij herinnert zich alleen ‘beginnen’. Bovendien, onderstreept hij, hoeft een schrijver niet per se de touwtjes in handen te hebben: ‘Een echt moedig boek, moedig en troostend tegelijkertijd, zou een boek moeten zijn waarin alle verhalen, zowel de verhalen die gebeurd zijn als die niet gebeurd zijn, om ons heen zwemmen in de oerchaos, waar ze roepen en fluisteren, bedelen en giechelen, waar ze elkaar ontmoeten en elkaar in het donker passeren.’

Zijn adagio is kort samengevat: het einde van een roman is als het einde van de wereld, je stelt het beter uit. Daarom komt er na de epiloog nog een hoofdstuk ‘0’, de ronduit schitterende reconstructie van 1 september 1939, in de helse realiteit van toen en als grootse re-enactment in 2029. Hoofdstuk 0 eindigt met de zin: ‘Morgen was het 1 september.’, een sleutelmoment dat zoals gezegd in de laatste zin van het allereerste hoofdstuk bestempeld werd als ‘het einde van de menselijke tijd’. Op de radio weerklinkt: ‘We herhalen deze oorlog opdat hij nooit herhaald zal worden.’ Hoe absurd en pijnlijk actueel deze kromme tautologie is in het licht van de huidige oorlogsmisdaden in Oekraïne, maakt Gospodinov duidelijk in een ontstellende brief geschreven op de eerste dag van de Russische invasie. Poetin wil terug naar een ideaal van het Tsaristisch Rusland Rijk, een vreselijke misstap vergelijkbaar met de herhaling van 1 september 1939 waar Gospodinov voor waarschuwt in Schuilplaats voor andere tijden.

Na hoofdstuk 0 van de epiloog volgt afsluitend nog een hoofdstuk ‘-1’, dat slechts uit één zin bestaat of beter gezegd uit een bevreemdende opeenvolging van nietsbetekenende woorden: ‘Жгмцццрт №№№№kkтррпх ггфпр11111111 внтгвтгвнтгггг777ррр’. Een mysterieuze code, een symbolisering van het finaal ophouden van de tijd of de woorden die een tot waanzin vervallen auteur zou kunnen typen door met twee open handen driftig en blindelings op zijn toetsenbord te kloppen, te bonken en te rammen?

Meesterverteller Gospodinov heeft van Schuilplaats voor andere tijden een verrukkelijk caleidoscopisch verhalenkabinet gemaakt over herinnering, verleden en geschiedenis dat resoneert met hypertekst — Kafka, Mann, Proust, Borges zijn nooit veraf — en bol staat van postmoderne speelsheid en bravoure. Met deze grote Europese roman bekrachtigt hij voor eens en altijd zijn status als een auteur van formaat.

Verschenen op: Mappalibri, juni 2022

Schuilplaats voor andere tijden van Georgi Gospodinov, Ambo Anthos 2022, vert. door Hellen Kooijman, ISBN 9789026356445, 334 p.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s