‘Monte Carlo’ van Peter Terrin: Monaco, gelig-oranje oplichtend tegen de bergwand

tumblr_inline_pe6tedIwaC1s0xvfa_540

We schrijven mei 68, in het mondaine Monaco zal zo meteen de grand prix formule 1 van start gaan. Vlak voor de start, slaat het noodlot toe. Een brandstoftank ontploft op het startveld, net op het moment dat de kersverse filmster Deedee het pad van de bescheiden monteur Jack Preston kruist. Hij weet haar te redden, buiten het oog van de camera’s, maar raakt zwaargewond. Om te herstellen keert Jack terug naar Aldstead, een onooglijk dorpje op het Engelse platteland, en wacht vol verlangen op een teken van Deedee’s dankbaarheid. Ondertussen droomt hij van een ander leven en volgt hij op televisie hoe Deedee een wereldster wordt, de belichaming van de nieuwe zeden.

Er staat geen woord te veel in Monte Carlo, een doordachte en afgemeten roman, die qua vaart en precisie niet moet onderdoen voor de formule 1. Een zinnenprikkelende momentopname van een woelig tijdsgewricht, over de keerzijde van het heldendom, grootmoedig mededogen en de onevenwichtigheid in het menselijk bestaan. Een gesprek over hogere machten, onbeantwoorde liefdes én snelle wagens, natuurlijk.

Monte Carlo had in zekere zin evengoed ‘Omtrent Deedee’ kunnen heten. Jack is geobsedeerd door de onverbiddelijke femme fatale Deedee, die op meer dan één manier verwijst naar Grace Kelly: zij heeft een relatie met de prins, is een filmster en er is op een gegeven ogenblik een dodelijk ongeval waarbij iemand met de wagen een ravijn inrijdt. U speelt doorheen het boek met historische gebeurtenissen. Zo is deze bewuste race effectief de eerste geweest waar reclame voor sigaretten op een formule 1 wagen was te zien, een wagen van Lotus, Jacks team. Verschillende feiten vond ik terug, maar vermoedelijk zijn er veel meer.

Ik gebruik die gebeurtenissen als een soort ankerpunten, fundamenten. Om een bepaalde tijd op te  roepen, had ik nu eenmaal een paar persoonlijkheden en sleutelmomenten nodig. Ik ben al meer dan 30 jaar zeer gefascineerd door formule 1 en wilde al heel lang iets doen met die uitzonderlijke wereld als achtergrond. Maar in dit boek is Monte Carlo meer dan een decor. Het is het zinnebeeld van een soort leven waar zowel Jack als Deedee als abstractie naar op zoek zijn. Een leven vol zorgeloosheid, geluk, welvaart, schoonheid, faam en fortuin. Deedee is daar natuurlijk het wandelende symbool van. Voor beiden is dat leven heel dichtbij, het is bijna tastbaar, maar het ontglipt hen. Ik kruip bijvoorbeeld ook in het hoofd van de prins en ik laat hem nadenken over de grand prix van het jaar ervoor, toen Lorenzo Bandini van het Ferrari-team om het leven kwam. Toen waren dodelijke ongelukken heel courant. Brandstoftanks waren amper beschermd, de veiligheidsmaatregelen langs de piste beperkten zich tot strobalen. Het zijn stuk voor stuk elementen die ik gebruik om mijn verhaal te vertellen. Ik heb lang gezocht naar een tijdsgewricht waar iets scharniert. Het jaar waar Monte Carlo zich in afspeelt, is zo’n keerpunt.

De grand prix die u beschrijft werd gewonnen door de Brit Graham Hill van het team Lotus-Ford. De derde was Lucien Bianchi, een Belg. De wedstrijd zelf komt niet aan bod: alle aandacht wordt gericht op het vuurincident.

Het hele boek draait inderdaad rond dat ene moment net voor de start, de race zelf laat ik niet zien. Ik had reeds lang in mijn hoofd dat ik ging schrijven over een monteur, uit de jaren zestig. Het moest wel degelijk die periode zijn, omwille van de overgangen en omwentelingen die zich toen inzetten. Ook in de formule 1 veranderde heel wat, precies op dat moment. Voor het eerst stonden er merknamen op een bolide, van merken die bovendien niets te maken hadden met racen! Dat was onvoorstelbaar. Voor die periode was formule 1 nagenoeg onveranderd gebleven, er zat een soort van traditie in. Bepaalde kleuren werden gebruikt, de auto’s zagen er bijna allemaal identiek uit. Vanaf de jaren 60 wordt er geëxperimenteerd met spoilers en vleugels, zoals ik beschrijf in mijn boek.

Jack heeft moeilijkheden met de nieuwe tijden. Niet alleen professioneel, maar ook thuis bij zijn echtgenote Maureen, die verankerd lijkt in de jaren 50 en maar met één ding bezig is, haar kinderwens. Met zijn ene been staat Jack nog in de jaren 50, met het andere in de toekomst. De twee vrouwen in Jacks leven belichamen die gecontrasteerde epoques.

Mijn hoofdpersonage is een man die voor die tijd betrekkelijk oud is, 35. Nu, is dat piepjong, toen was dat een respectabele leeftijd. Jack is dus opgegroeid met de zeden en gewoontes van de jaren 50. Hij woont op het platteland waar die tijd als het ware geconserveerd wordt. En hij droomt, terecht, van een ander leven. Hij kijkt daar met verlangen naar uit, maar ook met angst. Hij is een man die eigenlijk heel bescheiden en stil is. Maar toch, hij heeft van dat leven geproefd, op de circuits. Na de gebeurtenissen begint hij zich dan ook van alles voor te stellen.

Het ironische in het verhaal is dat Jack nog volop droomt van een ander leven, terwijl Maureen seksueel losbarst. Ze ontvangt Jack als een held. Zijn littekens winden haar ontzettend op. Maar ja, in de jaren 50 zat seksualiteit toch anders in elkaar. Lees er maar On Chesil beach van Ian McEwan op na. Daar wordt het prachtig beschreven. Seks was onwennig, onzeker en onduidelijk.

Uw liefde voor formule 1, alsook uw kennis ter zake, komt duidelijk naar voren in de roman.

Ik houd heel veel van hoe auto’s toen waren. Het racen was toen nog een echte mannenzaak. Ik bedoel, het was een combinatie van talent, moed en durf. Ik denk niet dat wij ons kunnen voorstellen hoe het voelde om toen aan snelheden van rond de 300 per uur, op gewone wegen en zonder bescherming aan de zijkanten, voorbij te scheuren. Tot in het begin van de jaren 60 waren er zelfs geen veiligheidsgordels! Dat was waanzin. Let wel, nu is het ook niet makkelijk. U mag niet vergeten dat die piloten afgetrainde atleten zijn. Die moeten onwaarschijnlijke temperaturen aankunnen, dat zijn echte topsporters. Dat vind ik het mooie aan formule 1, het doet mij in meer dan een opzicht aan het oude Rome denken. Als ik zeg dat ik formule 1 het toppunt van beschaving, van ons menselijk kunnen, vind, moeten mensen altijd lachen. Maar niets is minder waar. Alles wordt daar verenigd. Er zijn astronomische budgetten, er is een gigantisch intellect, er zijn topsporters met onwaarschijnlijke reflexen en dat alles wordt in het werk gesteld om 10 honderdsten van een seconde sneller te zijn dan iemand anders. Daar zit toch iets decadents aan? Het is totaal overbodig, compleet nutteloos en toch maken we het zeer belangrijk.

Bent u het type dat midden in de nacht opstaat om een grand prix op televisie te volgen?

Even kijken, ik denk dat ik sinds 1982 nauwelijks een paar grands prix heb gemist, op televisie welteverstaan. Ik ben één keer naar het circuit van Spa-Francorchamps geweest. Dat was een geweldige ervaring. Hoe het motorgeluid weerkaatst in de heuvels van de Ardennen, dat is bijzonder indrukwekkend. In tegenstelling tot de tegenwoordige V6-turbo’s, waren dat toen nog V8-motoren, die een gans ander geluid voortbrengen. Op dat nieuwe geluid komt er trouwens veel kritiek, juist omdat het zo’n belangrijk onderdeel is van de beleving. Maar goed, eigenlijk valt er weinig te zien op zo’n race. Je ziet de wagens een keer of zestig voorbij scheren, maar je kunt de wedstrijd niet echt volgen. Het is nu niet zo dat ik denk dat ik daar ieder jaar naartoe moet, maar wat ik wel graag eens zou doen is Monaco, natuurlijk (lacht).

Een leuke wending vond ik dat u Deedee de rol van Emma Peel laat spelen in de populaire televisiereeks De Wrekers. Emma Peel is voor velen dé belichaming van de jaren 60, een onverslijtbaar stijlicoon. Emma Peel staat evenzeer voor die droom waar Jack zo naar hunkert, een onbereikbaar ideaal…

Die wending kwam er per toeval. Ik ontdekte dat The Avengers één van de allereerste programma’s was die de BBC in kleur uitzond. Ik heb zelfs een tijdje aan een cover voor het boek gedacht, gebaseerd op een poster van De Wrekers. Het werd uiteindelijk een hedendaagse foto, niet een van toen. Toen ik het beeld voor het eerst zag, wist ik, dit is Deedee. Er zit een soort van kwetsbaarheid in die blik die mij erg aansprak. Als je naar de cover kijkt, is het alsof je heel dicht bij haar bent, bijna onder haar hoed waaronder ze zich verschuilt Je voelt haar onzekerheid en haar jeugdigheid.

Deedee heeft inderdaad Lolita-allures. Jack’s obsessie voor haar gaat heel ver. Hij blijft wachten op een reactie van haar kant.

Het is wat hem nog rest: de overtuiging dat zijn offer door Deedee zal beloond worden. Daarbij komt dat Jack een erg gelovig man is. Hij kan zich niet voorstellen dat God geen beloning heeft voorzien. Jack heeft een zeer ouderwets geloof in evenwicht, zo staat het ook in het boek. Ik vertrok met die idee en ben die helemaal beginnen uitspelen om mijn plot verder te ontwikkelen. Je zou kunnen zeggen dat het boek eindigt met een soort duel.

Door zijn uitgesproken geloof is Jack ongetwijfeld de meest fatalistische held in uw oeuvre: ik had meer dan eens zin om hem uit zijn droom te schudden, hem aan te manen iets te doen. Ik ben niet religieus, maar ik leefde mee met zijn religieuze gevoelens…

Dat doet mij plezier en ik vind het mooi dat dit naar boven komt. Ik denk dat je effectief niet religieus hoeft te zijn om mee te kunnen leven met iemand die zeer gelovig is. In die tijd is het geloof nog sterk aanwezig, zeker op het platteland. Het is niet voor niks dat het dorp Aldstead langs de ene kant begrensd wordt door een pub en aan de andere kant door de kerk. Die kerk speelt een centrale rol. U mag niet vergeten, Jack heeft zijn ouders tamelijk jong verloren. Zijn vader in de Tweede Wereldoorlog, kort daarna zijn moeder. Zijn succes, de carrière die hij maakt, eerst in een rally team, nadien bij Lotus, ziet hij als het herstellen van een soort evenwicht, het in balans brengen van iets dat hem is aangedaan. Zo zit hij in elkaar. Vandaar dat hij niet kan begrijpen dat er geen beloning is. Dat zijn offer niet geregistreerd wordt, ergens. Dat geloof is zeer belangrijk. Ik wilde eigenlijk een sprookjesachtig verhaal vertellen, een soort mythe zelfs. Iets van een tijdloze schoonheid, beknopt, universeel, herkenbaar. Vandaar ook Monaco, dat is op zich al een sprookje. Het verhaal van Jack neemt door zijn universeel karakter bijna bijbelse proporties aan. Het komt heel dicht in de buurt van het boek Job. Jack is veroordeeld om Gods beproevingen te doorstaan, zeg maar. Ik heb trouwens een tijdje gespeeld met het idee van een alwetende, Mulischiaanse verteller, een soort hogere macht, een God-benaderende instantie. Maar al snel bedacht ik dat ik God God moest laten zijn, overal aanwezig, maar totaal onzichtbaar.

Monte Carlo is binnen uw oeuvre de eerste roman die zich afspeelt tegen een duidelijk afgebakende internationale achtergrond, afgezien van Vrouwen en kinderen eerst, dat speelt in ‘een buitenland’. Hoe moeilijk was het om u in te werken in de setting van het mondaine Monaco?

Niet eigenlijk. Het begon toen ik nog bezig was met het schrijven van Post mortem. Op driekwart van het boek is er bij mij altijd een moment waarop ik weet dat het boek er zal komen. Het merkwaardige is dat zodra dat moment aanbreekt er plots ruimte vrij komt in mijn hoofd. Voor iets anders, ik ben dan weer ontvankelijk voor ideeën. Plots zag ik een beeld voor mij: ik zag een nostalgisch beeld van Monaco, gelig-oranje oplichtend tegen de bergwand. Bijna een foto uit die tijd, in Polaroidkleuren. Toen dacht ik aan formule 1, want dat is natuurlijk mijn associatie met Monaco. Dat beeld werd onuitwisbaar. Ik wist dat ik er iets mee moest doen.

Een van de boeiendste personages vind ik Ronny, de simpele ziel van dienst, die Jack meehelpt in zijn atelier. Ronny deed me denken aan Lennie uit Steinbecks Of mice and men. Jack begrijpt niet waarom God Ronny (“deze onbeduidende jongen in deze uithoek”) naar hem blijft sturen.

Ik ben zeer verheugd dat al die dingen opgeroepen worden, terwijl ik er niet noodzakelijk aan gedacht heb. Toegegeven, Of mice and men spookte wél in mijn hoofd. Dat is en blijft een van mijn lievelingsboeken. Het is een boek dat je na lectuur nooit meer vergeet. Vanwege zijn eenvoud, om te beginnen, maar ook door die twee ijzersterke personages die van elkaar afhankelijk zijn, op een of andere manier van elkaar houden, samen een droom nastreven. Je zou dat evenzeer kunnen zeggen van Jack en Ronny. Ik ben ervan overtuigd dat Jack houdt van Ronny, anders zou hij die nooit dulden in zijn werkplaats, zijn heiligdom. Ronny brengt liefde en warmte aan de mensen. Waar ik woon is er zo’n Ronny. Een jongen die met iedereen in het dorp praat. Hij komt overal,  is overal welkom.

Het incident voor de race wordt toevallig gefotografeerd. Het is het enige bewijs van Jacks heroïsche daad en zou van hem een held maken in plaats van een dorpsidioot, zoals hij zelf zegt.

Jack weet niet van het bestaan van die foto, maar hij heeft die ook niet nodig. De buitenwereld heeft die van doen. Zo smal is de grens tussen held of dorpsidioot. Het gaat over toeval. Stel nu dat Deedee tijdens haar televisieoptreden bij Kingsley een teken had gegeven, welk lot zou Jack dan beschoren zijn? Dat is Jack zijn grote frustratie: hij ziet Deedee in de kranten en op televisie, maar eigenlijk zou hij daar moeten verschijnen. Wat voor een spectaculair verhaal zou dat wel niet zijn? Hij stelt het zich ook voor, hoe hij die zwachtels voor het oog van de camera afwindt, met die brandwonden van zijn kruin tot zijn achterwerk. Het zouden iconische beelden kunnen worden.

Monte Carlo is uw eerste boek bij De Bezige Bij. U vergeleek in een interview bij uw overstap De Bezige Bij met Ferrari, het team waar iedere F1-piloot wil bij zijn.

Gezien de huidige omstandigheden kon ik die vergelijking niet laten liggen (lacht). Maar ja, De Bezige Bij is voor mij Ferrari, absoluut. De Bezige Bij is een huis, letterlijk, een statig huis in de Van Miereveldstraat 1 in Amsterdam. Iedereen trekt er aan hetzelfde zeel. Ze zijn commercieel zeer sterk, maar er is ook een heel grote passie. Monte Carlo is een korte roman. Hoe korter de roman, hoe meer gewicht ieder woord krijgt. Samen met mijn redactrice Suzanne Holtzer heb ik heel intens gewerkt om dat soortelijk gewicht goed te krijgen. Mijn minimale plotelementen moesten glashelder en zonder ruis overkomen. Het is altijd moeilijk wanneer je met suggestie werkt, zoals ik doe. Ik vertel liever te weinig dan te veel. Maar dan heb je echt wel heel goede klankborden nodig. De lezer moet de suggestie mee hebben, zonder dat die het gevoel krijgt bij het handje te worden genomen.

U staat bekend als een auteur die niet graag in de aandacht komt, die zijn boeken voor zich laat spreken. Vandaag zitten ik hier in de Vooruit met een charmante, aimabele man voor een  aangenaam gesprek en verzorgt u straks de literaire slotshow van de Schrijfdag die hier georganiseerd wordt.  

Wel, dat heeft te maken met etiketten. Toen ik debuteerde was ik 30. Ik was een andere man. Dan doe je wel eens een uitspraak. Die blijft je dan achtervolgen. Ik heb onderschat hoe moeilijk het is om van een etiket af te komen. Ik word nog altijd gezien als een heel duistere, Kafka-adorerende nihilist die absoluut niet over zijn boeken wil praten (lacht). Dat beeld is natuurlijk achterhaald. Maar kom er maar eens vanaf. Anderzijds, ik kom graag buiten, zoals vandaag, maar ik schrijf liever. Toch ga ik, dat is al een paar boeken aan de gang, op bijna iedere aanvraag in. Het gaat dus echt over beeldvorming. De media hebben die macht.

Het was ook een van de thema’s in Post mortem, natuurlijk. De schrijver die bang is om iets te zeggen, want het zou hem wel eens kunnen achtervolgen.

Precies. Ik vind dat zeer interessant, hoor. Neem nu de literaire canon. Hoe zal over 100 jaar teruggekeken worden op het jaar 2014 of het decennium? Welke literaire canon zal daar uit voortkomen? Hoe groot zal de invloed geweest zijn van de media? Stel nu, dat Dimitri Verhulst niet naar De Laatste Show was geweest, zou zijn werk op dezelfde manier gewaardeerd en gelezen worden? Of hoe belangrijk was het voor Louis-Paul Boon om mee te werken aan de quiz ’t Is Maar Een Woord? Of Hugo Claus die de media als een keizer beheerste, in welke mate beïnvloedde dat de perceptie van zijn werk? En ja, ook mijn AKO van vorig jaar: hoe zal die meespelen in de beoordeling van Monte Carlo? Of mijn overstap naar de Bezige Bij? Ik vind die mechanismen heel boeiend.


Verschenen in: STAALKAART #25, 2014

Monte Carlo van Peter Terrin, De Bezige Bij 2014, ISBN 9789023485193, 176 pp.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s