‘Groene Heinrich’ van Gottfried Keller: een buitenbeentje van de Duitstalige literatuur

tumblr_inline_pehiarboGO1s0xvfa_540

Geruchten deden de ronde dat uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep haar vooraanstaande ‘Grote Bellettrie’-reeks zou opdoeken, maar kijk, ruim twee jaar na Goethes Wilhelm Meisters leerjaren krijgt de serie een waardevolle aanvulling met de bij ons vergeten bildungsroman Groene Heinrich van de Zwitser Gottfried Keller. Dit enkel bij doorgewinterde Germanofielen gekende buitenbeentje van de Duitstalige literatuur verschijnt nu in een glansrijke vertaling van Nijhoffprijs-laureaat Peter Kaaij, die zich baseerde op de eerste versie uit 1855 en dat is wereldwijd een primeur.

Dichter, schrijver, schilder en liberaal-republikeins politicus Gottfried Keller (1819-1899) behoort tot de canon van de Duitse literatuur. Hij debuteert in 1842 met een bundeling lyrische natuurgedichten en is in de jaren erop erg populair als de auteur van satirische en realistische novelles, waarin hij de kleinburgerlijke idealen van zijn tijd op de korrel neemt of de socio-politieke wantoestanden aanklaagt. Zwitsers kennen Keller ook als de tekstschrijver van hun volkslied én als ereburger van Zürich, maar hij dankt zijn status in de eerste plaats aan zijn magnum opus, Groene Heinrich. Grote namen als Thomas Mann, Hermann Hesse, Elias Canetti en Günter Grass verklaarden zich schatplichtig en ook W.G. Sebald schreef in zijn verzameling schrijversportretten Logies in een landhuis enkele lovende notities over de ‘visionaire’ Keller.

Het hoofdpersonage ‘Groene’ Heinrich is overduidelijk het romantisch evenbeeld van Keller. Net als Keller verliest Heinrich Lee als vijfjarige zijn vader, groeit op in armoede alleen met zijn moeder en verruilt als prille twintiger Zürich voor München, toen het epicentrum van kunst, cultuur en wetenschap, om er kunstschilder te worden. Zijn gekleurd epitheton dankt Heinrich aan het feit dat zijn kinderkleren uit het legeruniform van zijn overleden vader gemaakt zijn. Op zijn tocht neemt hij zijn zelfgeschreven ‘Jeugdgeschiedenis’ mee, die we integraal als een uitgebreid onderdeel van de roman te lezen krijgen. Heinrich ziet zijn idealen en optimisme al snel vervliegen, teert schaamteloos op de bijeengeschraapte spaarcenten van zijn moeder en raakt hopeloos verwikkeld in tot mislukken gedoemde liefdesrelaties. Na zeven helse jaren keert hij ontgoocheld en berooid terug naar huis, waar bij zijn thuiskomst zijn moeder overleden blijkt te zijn. Verteerd door schuldgevoelens en verdriet legt ook Heinrich in een bijzonder aangrijpend einde het bijltje erbij neer.

Groene Heinrich is – anders dan Goethes oermodel – in veel opzichten een gevoelsroman. Zoals het een goede bildungsroman betaamt, houdt Kellers boek de lezer een spiegel voor, toont het ons de pijnlijk aangeleerde levenslessen opdat wij niet in dezelfde valstrikken zouden trappen, maar tegelijk gaat het een beetje alle kanten uit en wil het meer dan één soort boek zijn. Keller spint de woelige ontwikkelingsgeschiedenis van Heinrichs jeugdige kunstenaarsziel breed uit en toont zich onderweg een meeslepend verteller, maar verliest zich geregeld in huilerige zelfbespiegelingen, belerende pedagogische richtlijnen of pseudofilosofische uiteenzettingen over God en de voorzienigheid. Anderzijds weet hij de lezer te bekoren met zijn rake observaties, zijn  scherp realisme en fijngevoelige psychologie. Dat Groene Heinrich geen ordinaire bildungsroman is vertaalt zich ook verhaaltechnisch. Keller mengt gretig feit met fictie, verleden met heden en schakelt moeiteloos tussen een veelheid aan vertelperspectieven: nu eens is hij een alwetende, auctoriale verteller, dan weer een vrolijke ik-verteller of de afstandelijke, discursieve verteller die een filosofisch standpunt inneemt. Dankzij de grote stilistische variatie bereikt Keller bovendien een maximum aan expressie en komt hij tot een soort lyrische verdichting (die pantheïstische natuurbeschrijvingen! Die ode aan het landschapschilderen!).

Na een moeizaam schrijf- en uitgeefproces verscheen Groene Heinrich in 1855 in een oplage van amper 1.000 exemplaren. Het boek kreeg nauwelijks aandacht en was niet aan de straatstenen kwijt te raken. Vierentwintig jaar later, in 1879, kocht Keller – inmiddels een gereputeerd schrijver – het honderdtal resterende exemplaren op en stookte die naar eigen zeggen op in zijn kachel. Keller besloot de roman radicaal te herschrijven: hij kortte het boek met een kwart in, zorgde voor een happy end, voerde een strikte chronologie in en zwakte de lyriek in het voordeel van het sentiment grondig af. Oh ironie, de nieuwe versie werd een besteller! Om een juiste vergelijking te kunnen maken, zouden wij ook deze versie moeten lezen. Maar de vertaling die nu voor ons ligt, is zonder meer ‘grote bellettrie’ te noemen en onderscheidt zich net door haar buitensporig en energiek karakter.


Verschenen in: STAALKAART #33, 2016

Groene Heinrich van Gottfried Keller, vert. en naw. door Peter Kaaij, Athenaeum-Polak & Van Gennep 2016, ISBN 9789025302511, 996 pp.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s